Sally’s Honingpot

Dit verhaal speelt zich af
op: 22 oktober 2022

Mijn naam is De Waal. Frederieke de Waal. Rechercheur in 071, en tegen een wodka-martini zeg ik geen nee - al had ik dat gisteren wel moeten doen. Nu heb ik koppijn en een kegel. But you should see the other guy, haha. Was het maar waar. Mijn seksleven is zo schraal als een slechte haiku.

De Waal was weer kaal,
maar Fred ging alleen naar bed.
Geschud, niet geroerd.

'Niet zielig doen, nu, De Waal.' Ik bekijk mezelf in de spiegel van de zonneklep van de dienstauto. ‘’s Avonds een vent, ’s ochtends een vent.’ Boven mijn bloeddoorlopen, kohl-omrande ogen gaan de wenkbrauwen omhoog. ‘Twee keer een vent in één etmaal? Dat lijkt me wat veel gevraagd, moppie.’ Geërgerd dien ik mezelf van repliek. ‘Je weet wat ik bedoel. Oversekste woestijnvos.’

Achter me wordt getoeterd. Ik sla de zonneklep omhoog, onderdruk opkomend maagzuur en de neiging mijn middelvinger op te steken en trek op. Het is zaterdagmiddag. De plicht roept.

De plicht roept, op deze druilerige zaterdagmiddag, vanuit een ondiepe sloot aan de voet van een universiteitsgebouw achter Leiden Centraal. Van ergens in of op dat gebouw is ongeveer twintig minuten geleden iemand omlaag gevallen, gesprongen, of geduwd. Aan mij de taak om erachter te komen hoe het precies zit.

Amrani staat al bij de dienstdoenden, die de sloot hebben afgezet met roodwit lint. Faculteit der Sociale Wetenschappen, lees ik op de gevel. Een enkele voorbijganger blijft nieuwsgierig staan kijken, maar loopt na een blik op het water en het gebouw weer door. Hier gebeurt nooit wat, dus dit zal ook wel niets zijn.
‘Morgen, Amrani. Bruins, De Wit. Wat hebben we hier?’
‘Middag, chef.’ Amrani wijst naar een jonge vrouw, die verderop staat te bellen. ‘Zij heeft de melding gedaan. Woont hier tegenover, in die studentenflat. Zat naar buiten te staren, zag opeens iemand omlaag kukelen. Derksen en Van Zoelen gaan na of er nog meer getuigen zijn.’
'Kukelen?', vraagt Bruins. De Wit gniffelt. Amrani schudt zijn hoofd. 'Je moeder.'
‘Weten we zeker dat het een mens is?’, vraag ik. Het zou niet de eerste keer zijn dat we het hele circus optuigen voor een studentengrap.
Amrani knikt. ‘Het lijkt er wel op. Vanaf de brug kan je het beter zien.’
Ik kan het van de brug inderdaad beter zien. Het ziet er niet best uit. Goed dan. Hier gaan we weer.

De hoofdingang bevindt zich aan de andere kant van het gebouw. Hier hebben ze niet door dat het al weekend is. Groepjes studenten staan of zitten op het plein voor de ingang, sommigen druk in gesprek, anderen ontspannen tegen elkaar aan hangend, broodjes en smoothies in de hand. Een meisje steekt op de eerste verdieping haar hoofd uit een raam en roept: ‘Workshops start in five, people! Vergeet je afval niet te scheiden!’

Voorbij de grote draaideur staat een ontvangstkatheder. Op de lange tafel links ervan liggen wat verweesde badges, met in plaats van namen, qr-codes. Het katheder is onbemand, maar achter de tafels zitten twee studenten. Ook zij dragen badges met een qr-code. Als ze me ernaar zien kijken, lachen ze vriendelijk. ‘Komen jullie je badge ophalen? Mooi, hè? Als je de qr-codes scant, wordt je direct doorgelinkt naar je persoonlijke site. En geen namen, want we zijn allemaal gelijk.’
‘Maar hoe weet ik dan welke badge van mij is?’
‘Je naam staat achterop. Hoe heet je?’
‘Frederieke de Waal - maar je hoeft niet te kijken, hoor. Ik zit er niet tussen. Ik ben van de politie. Er is iemand van het dak gesprongen, vandaar.’
Lekker bezig, Fred. Kon je het niet laten? Nee, ik kon het niet laten, meid. Al die bevoorrechte wereldverbeteraars. Laat ze een weekje met mij meelopen, dan praten we verder.
‘Ah, de politie, eindelijk. Wat fijn dat u er bent.’ Ik draai me om en zie een klein, kaal mannetje met gestrekte arm op Amrani aflopen. ‘Ik had gebeld. Het is allemaal erg onfortuinlijk. Wilt u met me meelopen?’
Amrani houdt de hand van de man net te lang vast en knikt naar mij. ‘Zij is de baas.’
Terwijl hij zijn hand aan zijn broek afveegt kijkt de man om zich heen. Als hij mij ziet, knippert hij onwillekeurig met de ogen. Morscode voor: dit is niet wat ik verwacht had. Maar hij herstelt zich snel. ‘Juist, ja. Loopt u mee?’
Over zijn schouder geeft hij uitleg. ‘Hij heeft zich in een bezemkast opgesloten. Ze kregen ruzie tijdens de plenaire sessie vanochtend, en zij is achter hem aangegaan. Eerst gaf hij nog antwoord, maar nu horen we niets meer. En hij heeft de deur van binnen op slot gedraaid. Pardon, mensen, wilt u ons erdoor laten? De politie is gearriveerd!’
De groep studenten wijkt uiteen. De sfeer is lacherig, uitgelaten bijna. Hier klopt iets niet.

Voor de kastdeur staat een jonge vrouw met haar telefoon te filmen. Zichzelf of wat er om haar heen gebeurt, dat is niet duidelijk, tot ze haar telefoon op ons richt. ‘Nou Jan, je bent gered, hoor. De sterke arm der wet is aangekomen… Maar zie ik het goed? De sterke arm is een vrouwenarm! Kan je dat wel aan, Jan? Misschien moet je dan nog maar even in de kast blijven zitten, lieverd. Lekker veilig in je kast. Maar op een gegeven moment zal je er echt uit moeten komen, hoor.’

Om ons heen wordt gegniffeld. Iemand begint te scanderen: ‘Uit de kast, uit de kast, uit de kast.’ Enthousiast wordt de leus opgepakt. Ik gebaar kaleklets me te volgen en loop terug naar de ingang. Als ik blijf staan, begint hij iets te zeggen, maar ik kap hem af. ‘Ik kom niet voor deze onzin. Een half uur geleden is iemand van dit gebouw afgesprongen. Daar kom ik voor. Wilt u de deuren sluiten. Niemand mag het gebouw uit, tot ik het zeg.'

Kaleklets sputtert even tegen, maar doet daarna een mededeling via de intercom: het programma moet helaas kort onderbroken worden vanwege een ongeval en onderzoek door de politie. Als iedereen naar SC01 kan komen, zal dat het onderzoek bespoedigen. Zodra het is afgerond, wordt het middagprogramma hervat.

Derksen en Van Zoelen komen terug van de deur-tot-deur in de studentenflat. Niemand heeft iets gezien. Nu mogen ze ervoor zorgen dat niemand het gebouw verlaat. Amrani gaat naar het dak, ik loop naar Bruins en De Wit. Het is bij de sloot een stuk drukker geworden. De brandweer heeft het lijk uit het water gehaald. Ingepakt ligt het op een brancard, van het nu toch toegestroomde publiek afgeschermd door witte schermen. De forensisch arts is nergens te bekennen. Ik trek handschoenen aan en rits de lijkzak open.

Dit is dus waarom je nooit in een ondiepe sloot moet duiken. Het hoofd zit nog aan de romp vast, maar daar is alles mee gezegd. Wat ervan over is, is een deegbal van modder en bloed. Het achtergebleven kroos steekt er helgroen tegen af, als glitter. Om de schouders van het lijk hangt een jasje. De bloes daaronder is tot onder de borsten opengescheurd. Een vrouw, dus. Haar bh is wel blijven zitten. Kwaliteit. Ik bekijk de opengereten bloes nog eens goed. De bovenste knopen ontbreken, daaronder hangen ze aan losse draadjes. Ik ben geen natuurkundige, maar dat komt niet door de klap op het water.

Ik vouw het jasje behoedzaam dicht. Op de linker borstzak prijkt een naamloos naamkaartje. Hier zijn we allemaal gelijk, denk ik, behalve dan degenen die dood zijn. Ik scan de qr-code en rits de lijkzak weer dicht.

Amrani kijkt over de rand van het dak. Hij zwaait. Ik zwaai niet terug. Hier en daar staat een raam open, maar nergens zo ver dat iemand eruit had kunnen springen.

Nadat ik me voor de camera geïdentificeerd heb, zoemt de portier de deur van de leveranciersingang voor me open. In de krappe hal staan een steekwagen, een stapel lege pellets en een fiets, vermoedelijk van de portier. Ik leun voorover en leg mijn voorhoofd op het koude staal van het fietsframe. Ik sluit mijn ogen en adem diep in en uit.

Als ik weer ga staan, pak ik mijn telefoon. Tijd om te kijken naar de vangst van de dag.

SC01 blijkt een van daglicht verstoken collegezaal te zijn, in de kelder van het gebouw. De meeste studenten staan in groepjes op de trappen naast de collegebanken te kletsen. Als ik met Amrani de zaal betreed, kijken ze op noch om, maar de vrouw die eerder bij de bezemkast ruzie stond te maken staat ons al weer te filmen. Halverwege de eerste rij ligt een man onderuitgezakt te slapen, of hij doet alsof. Zijn linnen pak heeft, net als de drager ervan, betere tijden gezien.
‘Wilt u de vaste microfoon gebruiken, of een loopmicrofoon?’
Loopmicrofoon? Denkt kaleklets soms dat ik college ga geven? ‘Het katheder is prima,’ antwoord ik kort. Ieder zijn eigen beroepsdeformatie.

Ik tik op de microfoon. ‘Doet hij het?’ Een enkeling kijkt bemoedigend mijn kant op. Ik tik nog een keer op de microfoon. ‘Hallo? Horen jullie mij?’
‘Mensen! Koppen dicht en zitten! Dankjewel.’
Er klinkt nerveus gegiechel en gemopper, maar er wordt wel geluisterd. Amrani, de vermoorde onschuld, leunt ontspannen tegen het podium.
‘Dank je,’ zeg ik. Tegen de zaal, niet tegen hem. ‘Mijn naam is Frederieke de Waal, districtsrecherche Leiden Bollenstreek. Dat daar is mijn collega, Rayan Amrani. Het spijt me dat we jullie programma vandaag hebben moeten verstoren.’ Ik laat een stilte vallen en kijk opzichtig de zaal rond. Iemand zegt iets onverstaanbaars, er wordt nerveus gelachen. Ik laat het bommetje vallen: ‘Ongeveer drie kwartier geleden, rond kwart over twaalf, is Doctor Sally Vroonstra van het gebouw gevallen. Ze is overleden.’
Het gelach verstomt. Een meisje dat niet op zat te letten kijkt overdreven verward om zich heen en vraagt: ‘Wat? Wat zei ze? Heb ik weer…’
‘Vroonstra is overleden, muts,’ bijt een jongen haar toe, mij de woorden uit de mond nemend. Verontwaardiging is zijn deel. ‘Oh, mansplain het even, sukkel,’ riposteert een meisje te midden van instemmend gemompel en hoongelach. Bezemkast is in de eerste rij opgeveerd en wiegt nu heen en weer, onafgebroken ‘nee, nee, nee, nee’ prevelend. Van haar gezicht valt ontzetting af te lezen, maar haar telefoon laat ze geen moment zakken. Een paar stoelen verderop kijkt linnenpak, die klaarblijkelijk wakker is geworden, net zo vertwijfeld om zich heen als muts zo-even.
‘Doctor Vroonstra is van het gebouw gevallen,’ herhaal ik. ‘Wij weten nog niet of het een ongeluk betreft of dat er opzet in het spel was. Wij verzoeken iedereen die relevante informatie over Doctor Vroonstra denkt te hebben om zich bij ons te melden. Zijn er nog vragen?’
Een jongen achterin de zaal steekt zijn hand op.
‘Ja?’
‘Mag de rest dan gaan?’
De zaal houdt de adem in. Ik kijk de jongen hoofdschuddend aan. ‘Nee,’ antwoord ik, en het lukt me maar net om niet te smalen. ‘Voorlopig blijft iedereen hier.’

'Ik weet dat je een hekel hebt aan studenten, maar wil je ze echt allemaal hier houden?’
‘Ik heb geen hekel aan studenten, Amrani. Ik heb een hekel aan mensen. Vandaag tenminste. En ja, zolang we niet zeker weten dat Doktor Sally Vroonstra uit eigen overtuiging van dit gebouw is afgesprongen, mag niemand het gebouw verlaten. Wat is er?’
Het laatste vraag ik niet aan Amrani, die me aankijkt alsof hij er iets van vindt, maar aan de kilt- en lippenstiftdragende jongen die tegen mijn aura loopt aan te beuken. Kiltmans komt me vaaglijk bekend voor, en als ik achter hem Joost Parmentier zie staan, weet ik weer waarvan.
‘Rechercheur De Waal, mijn naam is Raphael Voermans. Ik ben een van de organisatoren van dit symposium. Ik snap dat iedereen hier moet blijven, maar vroeg me af of het goed is als we wel doorgaan met het programma - ’
‘Er is net iemand doodgevallen, en jij wil doorgaan met het programma?’
De jongen kleurt rood. ‘Met een aangepast programma, natuurlijk.’
‘Nogal wiedes. De workshop van Sally Vroonstra kan niet doorgaan, of wel?’, zeg ik kwaad.
‘Dat bedoel ik niet. Sally was voor velen van ons een inspiratie. Ik wilde eigenlijk voorstellen dat we met wie wil kunnen bespreken wat haar werk voor ons heeft betekend. Dan doen we tenminste nog iets nuttigs met de dag. Dat het symposium voorbij is, snap ik ook wel.’
Ik ontdooi een beetje en knik naar Joost. ‘Jij bent een vriend van Joost, of niet?’
Joost, altijd aan een half woord genoeg, komt erbij staan. ‘Hé Frederiek. Zware nacht?’
‘Bemoei je met je eigen nacht. Wat doe jij hier? Ik dacht dat je rechten studeerde?’
‘Op uitnodiging van Raf. Die vindt dat ik mijn blik moet verruimen.’
Raphael slaat zijn arm om Joost’ schouders. ‘Even uit de hetero-normatieve corps-bubbel - kan geen kwaad, toch?’
Ik zie Joost Parmentier nog niet zo snel in een bubbel verdwijnen - tenminste, in een andere dan zijn eigen, gepantserde Joost-bubbel. Daarin is maar ruimte voor een paar mensen. Zijn moeder, zijn zusje Tessa, Micky, deze Raf, zo te zien. Wie erin zit, beschermt hij onvoorwaardelijk. En wie erbuiten valt, observeert hij. Met meer liefde dan begrip, maar hij doet zijn best. Joost’ vader was ooit een collega van mij, totdat werk en leven hem te veel werden.

Ja, ik was verliefd op Joost’ vader, en nee, ik projecteer die verliefdheid niet op zijn zoon. Maar elke keer dat ik hem zie denk ik, verdomme Klaas, je zou trots op hem zijn.
‘Oké,’ zeg ik. ‘Doe je ding. Als ik maar niet gestoord wordt in mijn onderzoek.
‘En Joost?’ Joost kijkt me met fonkelende ogen aan. ‘Wil je het recherchewerk aan ons overlaten?’

Het lokaal waar Doktor Sally Vroonstra haar workshop zou houden is leeg. De luxaflex is dichtgedraaid, de openingsdia van haar laatste powerpointpresentatie verlicht het scherm. Rode letters op een witte achtergrond: ‘i see it when i know it’.
‘Enig idee?’
Amrani schudt zijn hoofd.
‘Het gaat over porno.’ Amrani en ik kijken tegelijkertijd om. Bezemkast staat bij de deur, voor het eerst zonder telefoon. Haar ogen zijn rood. Ze wil het lokaal inlopen, maar stopt als ik mijn hand opsteek. ‘Sorry,’ stamelt ze. ‘Natuurlijk.’
‘Niets aanraken,’ zeg ik. ‘Wat bedoel je, het gaat over porno?’
‘Die titel. Eigenlijk is het “I know it when I see it,” maar dat kan alleen maar als je eerst geleerd hebt om het zo te zien. Vandaar: I see it when I know it. Typisch Sally, zo’n omdraaiing. Al is dit niet haar sterkste.’
‘En waarom die kleine letters?’, vraagt Amrani.
‘Ook al een stokpaardje. Je moet jezelf niet groter maken dan je bent. Maar in haar geval was het valse bescheidenheid, vrees ik.’
‘Kan jij iets van leren, Rayan. En wat was jij van haar?’
Iets vlamt op in haar ogen, en dooft net zo snel weer uit. ‘Een vriendin. Een leerling. Een minnaar, soms. Een wapenzuster. We deden alles samen.’
‘Dan komt dit hard aan. Het spijt me.’
De vrouw knikt.
‘Zou ze het zelf gedaan kunnen hebben?’
‘Zelfmoord? Sally? Absoluut niet.’
‘Had ze vijanden?’
‘Zoveel. Je kan niet zo uitgesproken zijn zonder vijanden te maken. Ze heeft - had genoeg haters. Maar dat is vooral op twitter. In de echte wereld? Niet zoveel. Vooral polemisch. Eentje hebben jullie al gezien.’
‘Linnen pak? Net wakker?’
‘Die ja - Jan Dikson Kar.’
‘Dikson Kar?’, vraagt Amrani. ‘Ken ik die naam ergens van?’
Bezemkast kijkt alsof ze iets vies heeft gegeten. ‘Dat zou me niks verbazen. De zelf-benoemde Nederlandse Jordan Peterson. Totdat Sally en ik hem gecanceld hebben, tenminste. Zijn woorden, niet de mijne. Maar goed, daar was hij zelf bij. What goes up, must come down.’
Dat geldt voor meer mensen, vandaag, schat, denk ik. Maar ik zeg: ‘En deze Dikson Kar - was hij in staat om Sally iets aan te doen?’
Ze begint te knikken, maar schudt dan het hoofd. ‘Nee. Ja. Nee - nee, ik kan het me niet voorstellen. Een grote mond op twitter, dat wel, en hij kon behoorlijk te keer gaan als hij in het nauw werd gedreven. Maar haar echt iets aandoen? Fysiek, bedoel je? Dat zie ik hem niet zo snel doen.’ Ze kijkt naar de grond en plukt met een hand in haar haar. ‘En weet je, nu ik erover nadenk… Het kan hem ook niet geweest zijn.’
‘Waarom niet?’
‘Omdat hij in die kast zat, natuurlijk.’

‘Goed, kom maar op. Wat heeft die feeks allemaal gezegd? Dat ik Sally Vroonstra vermoord heb zeker? Godverdomme. Ik wou dat ik haar vermoord had. Dan zat ik hier tenminste niet. Kutwijf. Als ik iemand zou kunnen vermoorden, is het haar wel. Of haar reservekut, Kirsten Honig.’
‘Nu niet meer.’
Boosheid maakt plaats voor onbegrip. Knipperend kijkt Jan Dikson Kar van mij naar Amrani.
‘Sally Vroonstra is dood, dus je kan haar niet meer vermoorden.’
‘Wat niet uitsluit dat je haar vermoord hebt, natuurlijk,’ vul ik hem aan.
Dikson Kar leunt achterover, sluit de ogen en masseert met duim en middelvinger zijn beide slapen. ‘God. Ook dat nog.’ Hij legt zijn handen plat op het tafelblad. ‘Luister. Ik geef toe dat ik de afgelopen maanden vaak gefantaseerd heb dat ik Sally Vroonstra en Kirsten Honig iets zou aandoen. Ken je de slotscène van Once upon a time in Hollywood, als Brad Pitt die trut tegen de schoorsteenmantel kapot ramt? Of was dat juist die vent? Doet er niet toe. Zoiets dus. Dankzij die twee ben ik alles kwijtgeraakt. Mijn baan, mijn book deal, mijn vrouw. Dus dat er van enige gevoelens van wrok sprake is, zal ik niet ontkennen. Maar moord? Dat zou ik nooit doen. Moord is laf. Een vrouw vermoorden helemaal.’
‘Laf?’, vraagt Amrani.
‘Ja, laf. Als je iemand doodt, moet daar een eerlijke strijd aan voorafgaan. Daarom zijn soldaten ook geen moordenaars. Die kijken hun tegenstanders in de ogen en weten, het is hij of ik. Maar een vrouw vermoorden? Nee, daar is geen eer aan te behalen.’
‘Eer?’
‘Ja, eer. Ook nooit van gehoord, zeker? Moed? Eer? Hoffelijkheid? Trouw? Van jou verbaast me dat eerlijk gezegd niets, maar van jou?’ Hij wendt zijn blik naar Amrani, die hem met opgetrokken wenkbrauwen aankijkt. ‘Ik? Hoezo?’
‘Jij komt uit een typische eercultuur.’
Amrani schudt zijn hoofd. ‘Buikslotermeercultuur, bedoel je.’
‘Vertel eens over Kirsten Honig,’ vraag ik.
‘De reservekut.’
‘Jouw woorden.’
‘Zeker mijn woorden. Reserve. Kut. Norman Mailer doopte zijn pik tenminste nog in een inktpot als hij schreef, maar het verzamelde werk van Sally Vroonstra is geschreven met het vermalen gruis van de stenen uit haar kut. Kirsten Honig gooit er dan nog een vlog overheen, en hoppa, de poorten van de Jonge Academie worden juichend geopend. Wat een sof. Maar mark my words, de necrologie voor Sally wordt de laatste single authored article die Kirsten ooit zal schrijven - als die niet al klaar ligt, tenminste. Niet dat ze daar last van zal hebben hoor, in de wokessphere staan ze al in de rij om met haar te collaboreren. Wat zeg ik? Masturberen. Het is allemaal je reinste zelfbevlekking, en iedereen lebbert het op als een zeventienjarige die voor het eerst een kutje likt.’
Amrani perst lucht tussen zijn getuite lippen door en begint te lachen. ‘Het zit je zo te zien nogal hoog.’
Even lijkt Dikson Kar zich te laten opjutten. Zijn ogen verschieten van kleur, maar dan schudt hij zijn hoofd. ‘Jullie kunnen dit niet begrijpen. Het is een achterhoedegevecht. Maar dat is geen reden om de strijd op te geven. Audentes fortuna iuvat.’
‘Daar begrijp ik inderdaad niets van,’ zeg ik. ‘Wat ik wel weet is dat Sally Vroonstra dood is, en ik wil graag weten waarom.’
Jan Dikson Kar kijkt me onbewogen aan. ‘Daar kan ik je helaas niet bij helpen. Ik heb Sally Vroonstra vanochtend tijdens het debat voor het laatst gezien. Die twee zaten me weer zo op te fokken dat ik mezelf in een kast moest opsluiten om ze niet te lijf te gaan.’ Bij de herinnering lijkt strijdbaarheid plaats te maken voor schaamte. Tegenover ons zit opeens weer de zielige man in een versleten pak die eerder in de collegebanken lag te slapen. ‘Ironisch, eigenlijk. Ik ben die kast ingevlucht om haar niets aan te doen, en nu is ze er niet meer.’

‘Hij heeft wel gelijk.’
Ik kijk Amrani aan. ‘Wie heeft gelijk?’
‘Dikson Kar. Dat het gek is. Iedereen die ik hier spreek, zegt dat hij het gedaan moet hebben - maar juist hij kan het niet gedaan hebben. Sally Vroonstra is tijdens die ruzie met Kirsten Honig uit zaal SC01 weggelopen. Dat heeft iedereen gezien. En vanaf dat moment heeft Kirstin Honig alles gefilmd. Eerst is Dikson Kar achter Vroonstra aangegaan, maar toen heeft hij zich in die kast opgesloten. Vroonstra is naar boven gegaan om haar workshop voor te bereiden, en Honig is bij Dikson Kar gebleven. En toen wij aankwamen, zat hij nog steeds in die kast.’
‘Hoe lang heeft hij daar dan ingezeten?’
‘Een half uur, drie kwartier. En het is allemaal gefilmd.’
‘En verder heeft niemand iets gezien?’
‘Nee. Alleen de schoonmaker was boven, en die heeft niets gezien.’
‘De schoonmaker? Welke schoonmaker?’
‘Barra. Die maakt hier zes dagen per week de boel schoon. Hij was aan het werk toen het gebeurde, maar heeft niets gezien.’
‘Niets gezien? Verdomme Amrani, als hij boven was, kan hij het toch gedaan hebben? Waar is hij nu?’
‘Ik heb hem net gesproken. Volgens mij stond hij daarna met die vriend van jou te praten. Maar er is echt geen reden…’
Wat een kutdag. Zonder hem uit te laten praten loop ik de gang op. En ja hoor, ook dat nog. Op de gang vind ik Joost, in gesprek met de schoonmaker. Ik, kwaad: ‘Joost, ik had je toch gevraagd het recherchewerk aan ons over te laten? Wil je dat dan ook doen?’
Joost, laconiek: ‘Niet zo woke, Frederieke. Je ziet ons met een schoonmaker praten en denkt meteen dat het recherchewerk is. Dit is gewoon Barra, een vriend van Raf, die toevallig ook schoonmaakt hier.’
‘Van het vluchtelingencafé in het COC,’ vult de schoonmaker hem aan in behoorlijk goed Nederlands. Hij kijkt om zich heen. ‘In Allegro zat ik op de universiteit, hier maak ik hem tenminste nog schoon. Ik heb uw collega al gesproken. Ik heb niets gezien.’
‘Dat kan zijn, maar ik zou toch graag weten waar je precies bent geweest tussen vijf voor twaalf en kwart voor één. Zou je me dat kunnen laten zien?’
Joost begint te protesteren, maar Barra maakt een sussend gebaar. ‘Natuurlijk, mevrouw. Nu meteen?’

Een half uur later ben ik niet veel wijzer. Barra heeft me 32 wc’s laten zien, waar hij wc papier en zeep heeft aangevuld, een doek door twee gootstenen heeft gehaald en tot slot de vloer heeft gedweild. De helft van die wc’s bevindt zich op tussenverdiepingen in het trappenhuis, waar je met de schoonmaaktrolley niet kan komen. Om al die trappen op en af te lopen en de wc’s te doen was hij om zeven uur al hier. Een uurtje later dan normaal, omdat het zaterdag is. Na vijf uur onafgebroken werk was hij klaar. Langs het lokaal van Sally Vroonstra is hij niet gekomen. Tijdens de rondleiding heeft hij me zijn vluchtverhaal verteld, ook al moedigde ik hem daar niet toe aan. Een heftig verhaal, maar niet de reden dat ik denk dat hij het inderdaad niet gedaan kan hebben. In deze jongen zit gewoon niet veel kwaad.

Beneden wacht Amrani me op. Zijn gezicht is bedrukt. ‘Sorry, Fred. Ik ben bang dat je gelijk had.’
‘Wat?’
‘Die schoonmaker. Barra. De bewakingsbeelden. Hij staat er niet best op.’

Bruins en De Wit hebben de beelden bekeken. Het zijn er niet veel, want het is de Nederlandse Bank niet, maar de Faculteit voor Sociale Wetenschappen. Toch zijn het er genoeg om het ontstane beeld van de schoonmaker te doen kantelen.

12:05 uur: Barra, van achteren gefilmd, duwt een oud-papierbak door een gang op de vierde verdieping - de gang van het lokaal waar Sally Vroonstra’s laatste workshop gehouden zou worden.
12:10 uur: dezelfde papierbak verschijnt uit een lift op de zesde verdieping, weer geduwd door Barra. Opnieuw is alleen zijn rug zichtbaar, maar het moet hem zijn. Dezelfde kleren, dezelfde houding.

Onfeilbaar, De Waal, die intuïtie. Vooral zo doorgaan. Om het in te wrijven komen Bruins en De Wit aanlopen. Met wie tussen hen in? Juistem: Barra.
‘Deze jongen probeerde net via de branduitgang het pand te verlaten, chef. Toen ik hem tegen wilde houden, zette hij het op een lopen. Gelukkig kwam De Wit net aanlopen, die heeft hem kunnen tegenhouden.’
Niet zachtzinnig, zo te zien. Zowel De Wit als Barra zien er verhit uit, en Barra heeft een schaafwond op zijn arm.
‘Waarom ben je weggerend, Barra?’, vraag ik.
De vriendelijkheid is uit zijn blik verdwenen. ‘De politie is overal hetzelfde.’
Kan wel zijn, maar deze jongen is nu mijn hoofdverdachte.
‘Goed. Neem hem mee naar het bureau. Verbind eerst die schaafwond, sluit hem dan op.’

Als ze vertrokken zijn, zeg ik tegen Amrani: ‘We hebben 48 uur om iets concreets te vinden. Ik ga hier verder. Jij gaat op het bureau op zoek naar een link tussen Dikson Kar en Barra.’
‘Denk je dat hij het gedaan heeft in opdracht van Dikson Kar?’
‘Ik sluit niks uit. Dikson Kar had het motief, maar kan het niet gedaan hebben. Barra is de enige die in de buurt was van Vroonstra. Zo lang niet uitgesloten is dat hij het gedaan heeft, is hij onze hoofdverdachte. Of hij had zelf een goede reden om Vroonstra van het dak af te gooien, of Dikson Kar heeft hem ertoe aangezet.’
Amrani tuurt voor zich uit. Dan zegt hij: ‘Ik zie eigenlijk maar twee mogelijkheden: of Dikson Kar heeft Barra betaald, of hij heeft hem ertoe gedwongen.’
‘Gedwongen?’
‘Chantage. Die jongen is toch een vluchteling? Die is dus kwetsbaar. Als Dikson Kar hem zwart kon maken bij de IND, of het voor zijn familie in Syrië moeilijk kon maken, dan stond er wel wat op het spel, toch?’
Ik knik. ‘Oké. Dat is dan de aanvliegroute. Jij gaat hem vast ondervragen op het bureau. Ik zet hier de boel in gang.’
‘Stroop smeren of slaan?’
‘Ga jij maar stroop smeren, mijn beurt komt straks wel.’

De papierbak staat op de zesde verdieping, vlakbij de nooduitgang naar het dak. Als ik het deksel optil is de geur van ammoniak zo sterk dat ik mijn gezicht moet afwenden. De oorsprong van de dampen is tussen alle hagelwitte a4’tjes makkelijk te ontwaren: een roze schoonmaakdoek.

Ik laat het gedeelte van de gang waar de papierbak staat afzetten. Het sporenonderzoek zal uit moeten wijzen of er vingerafdrukken achter zijn gebleven. Ik verwacht het niet. Schoonmakers dragen handschoenen, niet waar? Maar voor de m.o. zijn vingerafdrukken niet nodig. Eerst is Vroonstra in haar lokaal op de vierde verdieping met de in ammoniak gedrenkte doek bedwelmd. Daarna is zij in de papierbak meegenomen en van het dak afgekieperd. Toch klopt er iets niet. Twee dingen, om precies te zijn. De opengescheurde bloes en de achtergebleven schoonmaakdoek.

Iemand speelt hier een spelletje, De Waal. Kut voor iemand, dat De Waal ook spelletjes kan spelen.

Beneden loopt het gebouw langzaam leeg. Joost staat voor de uitgang met kale klets te praten, terwijl zijn vriend Raf afscheidsknuffels uitdeelt aan ieder die wil, dus aan iedereen. Als hij me ziet, verlaat hij de knuffelparade en beent op me af. Joost ziet het gebeuren en probeert hem tegen te houden, maar Raf ontwijkt zijn uitgestoken arm. Nog voor hij bij me is, roept hij: ‘Jullie hebben Barra meegenomen!’

Ik wacht tot hij voor me staat en zeg: ‘Dat klopt, we hebben Barra meegenomen. Hij heeft tegen ons gelogen. Daarna probeerde hij 'm ertussenuit te knijpen, en toen hij gesnapt werd zette hij het op een lopen. Hij is dus verdacht.’
‘Maar weet je niet wat dat betekent! Hij is vluchteling, getraumatiseerd, en dan ga je hem weer opsluiten. Voor niets. Alleen omdat je op je pik getrapt bent, omdat hij niet deed wat je zei.’
Joost heeft zich inmiddels bij zijn vriend gevoegd. ‘Kom Raf, dit helpt niet.’
‘Dat kan me niet schelen, Joost. Jij kent Barra toch ook? Je weet toch dat hij hier niet toe in staat is? Hij is juist gevlucht om zelf niet van een dak af gegooid te worden. Dan gaat hij dat hier toch niet doen?’
Joost geeft een antwoord. Raf kijkt hem aan en daarna naar mij. Geërgerd haalt zijn schouders op. ‘Ik ziet het al. Nou, je zoekt het maar uit, rechercheur De Waal. Jij ook, Joost. Van je vrienden moet je het hebben.’
Joost kijkt zijn vriend na en zegt dan. ‘Voor wat het waard is, denk ik dat hij gelijk heeft.’
Ik zou het niet weten. Ik heb geen vrienden.

Amrani schudt nogmaals zijn hoofd. ‘Ik weet het niet, chef. Als deze jongen het gedaan heeft, heet ik Evert Kees.’
‘Niets gevonden, dus?’
‘Helemaal niets. Geen verdachte transacties, geen enkel raakvlak met Vroonstra of Dikson Kar, en ook verder geen rare bokkensprongen. Dit is gewoon een zachtaardige nicht die ’s ochtends wc’s schrobt, ’s middags gedichten schrijft en ’s avonds andere vluchtelingen integratielessen geeft.’
‘Gedichten?’
‘Ja, gepubliceerd en wel. Hij is zelfs genomineerd voor een prijs - kijk maar.’
Ik geloof het wel. Het doet er ook niet toe. Barra moet nog even brommen.
‘En Dikson Kar en Vroonstra?’
Amrani klakt twee keer met zijn tong. ‘U vraagt, wij draaien. Kijk maar mee.’

Het filmpje heet ‘Honey trap # 12: Sally Vroonstra in debat met Dikson Kar’. We zien Kirsten Honig aan een tafel achter een microfoon zitten. Ze veegt een lok haar uit haar gezicht, kijkt licht loensend in de camera en begint te praten. ‘Volgens de 19e eeuwse liberaal John Stuart Mill waren voor een gezonde politieke gemeenschap zowel progressieven als conservatieven nodig. Tegelijkertijd zei hij dat conservatieven niet noodzakelijkerwijs dom zijn, maar de meeste domme mensen wel conservatief - maar dat vergeten we vanavond even. Vanavond willen we het namelijk hebben over de vraag die besloten ligt in het eerdere citaat van Mill: dat progressieven en conservatieven er beiden mogen zijn. Sterker nog, dat ze er beiden moeten zijn, wil de politieke gemeenschap gezond zijn. Is dit wel zo? Zo ja, wat moeten wij, die onszelf graag tot het progressieve kamp rekenen, dan met die conservatieven? En wie bepaalt eigenlijk wat gezond is? Om daar eens lekker diep op in te gaan heb ik vanavond twee gasten aan tafel, één uit het progressieve kamp: Sally Vroonstra, en één uit het conservatieve: Jan Dikson Kar. Het belooft een pittig gesprek te worden. Welkom bij de Honey trap.’

Terwijl Honig de glazen op tafel inschenkt zoomt de camera uit om Vroonstra en Dikson Kar in beeld te brengen. Ze zien er allebei een stuk beter uit dan wat ik vandaag van ze gezien heb. Nogal wiedes wat Vroonstra betreft, maar Dikson Kar lijkt wel een ander mens. Goed zittend jasje, duur, hangt soepel van zelfverzekerde schouders. Het bovenste knoopje van zijn gesteven witte hemd, duur, opengeknoopt. Manchetknopen, duur, aan de polsen. Leunt achterover in zijn stoel, glimlacht ontspannen, maar straalt tegelijkertijd energie uit. Eerder een autocoureur dan een intellectueel, denk ik, maar wat weet ik ervan. Met haar onverschillige boezem, uitgelebberd shirtje, en net iets te gretig gestifte lippen steekt Vroonstra er eerst wat morsig tegen af, maar als de discussie op gang komt begrijp ik snel meer van de heldenverering die haar in progressieve kring ten deel valt. Alhoewel haar lage stem en lome dictie de luisteraar eerst op het verkeerde been zetten, blijkt zij naarmate het gesprek vordert tegenover de gretigheid van Dikson Kar een rustig stromende rivier. Net als bij een rivier is haar kracht bedrieglijk. Telkens weer laat Dikson Kar met veel aplomb een platitude te water, en telkens opnieuw wordt deze meegevoerd naar het midden van de rivier, waar ze, niet bestand tegen de kracht van de argumenten van Vroonstra, onverbiddelijk omgaat.

Nu is het zelfs voor mij met mijn lousy hbo-diploma niet al te moeilijk om door het gekwelde-mannengekwesel van Dikson Kar heen te prikken, en ook al heb ik mezelf nooit aangetrokken gevoeld tot de huilende-kutbrigade, de manier waarop Vroonstra Dikson Kar in zijn waarde lijkt te laten en tegelijkertijd spartelend in haar rivier laat ondergaan maakt me warm in hoofd en hart, zelfs een beetje in mijn onderbuik. Amrani, daarentegen, wil vooruit scrollen.
‘Wacht,’ zeg ik. ‘Dit is leuk.’
‘Wat jij wil. Maar het wordt nog leuker.’
Hij heeft gelijk. Ook Dikson Kar lijkt warm te worden van het gesprek. Hij wordt steeds geagiteerder, op zijn voorhoofd parelen zweetdruppels en hij neemt steeds grotere slokken uit het glas voor hem, dat telkens wordt bijgevuld door Honig. Als ze het over typisch mannelijke en typisch vrouwelijke eigenschappen hebben, verschijnen de eerste barsten in het gepolijste pantser.
‘Je kan niet ontkennen dat er duidelijke biologische verschillen zijn tussen mannen en vrouwen,’ zegt Dikson Kar.
‘Zeker, zeker,’ antwoordt Vroonstra. ‘Maar ook niet dat de categorieën “man” en “vrouw” niet door de biologie bepaald zijn, maar een bedenksel zijn van de mens.’
Dikson Kars gezicht vertrekt. ‘Daar gaan we weer. Je geslacht is toch zeker geen sociaal construct?’
‘Dat hoor je mij niet zeggen. Ik wijs er alleen op dat “man” en “vrouw” concepten zijn die hun bestaan ontlenen aan het menselijk bewustzijn, en dat dit bewustzijn de mens ook in de weg kan staan.’
Dikson Kar veegt het zweet van zijn voorhoofd. Hij pakt de tafelrand beet en lijkt zijn stoel achteruit te willen schuiven. Hij schudt zijn hoofd. ‘Dat is toch je reinste sofisme? Mijn piemel is toch geen sociaal construct?’ De vraag lijkt vooral aan hemzelf gericht te zijn.
Vroonstra leunt naar voren. Met haar onderarm ondersteunt ze haar borsten, zodat de stof van haar shirtje strak komt te staan. Met aangezette zwoelheid zegt ze: ‘Wat jij nu ziet Jan, is twintig procent biologie. De rest is je eigen fantasie.’ Met een knipoog sluit ze de vertoning af en leunt achterover in haar stoel. Met haar normale stem zegt ze: ‘En die is cultureel bepaald.’ Kirsten Honig schenkt zijn glas bij.
Amrani inhaleert tussen samengeknepen lippen. ‘Van wat ze zeggen begrijp ik niets, maar dat zij hem zit op te geilen is zo klaar als een klontje boter.’
‘Ranzige boter, zeg dat wel.’
‘Wacht maar.’

Na een ingewikkeld verhaal over de ridderlijke deugden vraagt Vroonstra aan Dikson Kar hoe het zit met hoofse liefde. ‘Die hoofse liefde, het smachten naar een onbereikbare vrouw, dat is toch net als die ridderlijke deugden in wezen een symptoom van een te vroeg gestagneerde morele ontwikkeling? De liefde is, gelijk de deugdzaamheid, niets meer dan een spiegel waarin de onvolwassen man zichzelf mooier kan zien dan hij zichzelf in werkelijkheid weet te zijn. En dat moet knagen, Jan.’ Weer dat vleugje zwoelheid in haar stem, die opgepropte borsten. Vroonstra prikt een stokje in een olijf en brengt hem naar haar mond. Dikson Kar prevelt verward in zichzelf. Ik denk het woord ‘borderliner’ te verstaan.

Dan gaat het mis. Vroonstra plaatst de olijf tussen haar lippen en zuigt hem van het stokje. Opeens spert ze de ogen wijd open en hapt naar adem, maar halverwege stokt zij. Terwijl ze uit haar stoel omhoog komt grijpt ze met beide handen naar haar keel. Kirsten Honig heeft eerder dan Dikson Kar in de gaten wat er gebeurt. Ze roept: ‘Ze stikt, doe iets!’ Dan pas komt de verdediger van hoofse liefde en ridderlijke deugden in beweging. Hij gaat achter Vroonstra staan en steekt zijn armen onder haar beide oksels door. Met zijn linker hand pakt hij zijn rechter vuist beet om de heimlichmanoeuvre uit te voeren, maar dan valt Vroonstra hoestend voorover. Alleen door de omhelzing van Dikson Kar valt zij niet op de grond, maar ploft ze terug in haar stoel. Wel zijn de borsten van Vroonstra al hoestend in de handen van Dikson Kar terecht gekomen. Zodra hij doorheeft wat er gebeurd is, wil hij zijn handen terugtrekken, maar zijn armen zitten nog klem onder de oksels van Vroonstra. In een poging ze toch los te krijgen drukt hij zijn onderlijf tegen de leuning van Vroonstra’s stoel. En als hij beseft waar deze beweging op lijkt, is het kwaad al geschied.

Het vervolg is voorspelbaar, voor wie zich af en toe op twitter begeeft. Voordat je ‘voorvechter conservatieve waarden randt Sally Vroonstra aan’ kan zeggen is Dikson Kar gecanceld. Desondanks leeft hij voort in de vorm van tal van memes. Dikson Kar die het zweet van zijn voorhoofd veegt. Dikson Kar die geërgerd, en ondertiteld, zegt dat Vroonstra een borderliner is. En natuurlijk een gifje van Dikson Kar, hangend aan Vroonstra’s borsten terwijl hij zijn schaam tegen haar rug aan drukt, keer op keer op keer. Als het niet zo zielig was, zou het grappig zijn.

Hij probeerde er natuurlijk nog het beste van te maken. Dat verliep ongeveer als met de vermaledijde uitzending van de Honey trap. Eerst nog vol bravoure, maar naarmate zijn bespiegelingen en analyses over wat er die nacht en daarna was gebeurd onvoldoende gehoor kregen, ging hij steeds harder kraaien. En gekker. Dat Sally Vroonstra de eerste was om toe te geven dat het allemaal een ongelukkige samenloop van omstandigheden was geweest, dat Dikson Kar zich op geen enkele manier aan haar vergrepen had en dat het wat haar betreft allemaal vergeten mocht worden - ze stond zelf immers ook kokhalzend op dat gifje - mocht niet baten. Dikson Kar was ervan overtuigd dat hij erin was geluisd. Zo niet door Vroonstra, dan wel door Honig.

Het neemt de man zo te zien nogal in beslag. Hele monologen houdt hij erover, die allemaal op zijn YouTube-kanaal te zien zijn. Daarin fileert hij niet alleen het werk van Vroonstra en Honig, maar ook de relatie tussen beide vrouwen. Honig, die zichzelf eerder vandaag aan mij omschreef als een vriendin, leerling, minnaar en wapenzuster van Vroonstra, was volgens Dikson Kar nog wat meer dan dat: haar muze.

We klikken een filmpje aan met de titel ‘Sally’s honingpot, deel 2, van onderzoeksobject tot onderzoeker’, waarin Dikson Kar beweert dat Vroonstra’s carrière pas een vlucht nam nadat zij Kirsten Honig ontmoette. Honig, toen nog scholiere, maar al druk in de weer als amateur vlogger over alles wat met puber-identiteiten te maken had, figureerde als ‘respondent KH’ in een aantal vroege publicaties van Vroonstra, over wat ze toen nog het ‘hyperseksuele (on)bewustzijn’ van jongeren noemde. Toen Vroonstra merkte dat juist de artikelen over KH aansloegen, ging ze steeds meer op haar respondent leunen. Zo werd Kirsten Honig Vroonstra’s ‘kippetje met de gouden eierstokken,’ in de woorden van Dikson Kar. En omdat Kirsten zo uitgesproken was en bovendien een goede neus had voor de allernieuwste trends op het gebied van identiteitspolitiek, kon Vroonstra haar ook blijven gebruiken, ‘als een wichelroede waarmee ze het zuiverste water kon blijven vinden in een woestijn van identiteitspuristen.’

Maar Kirsten had zelf ook baat bij de relatie. Zo ging zij studeren bij het instituut waar Vroonstra doceerde, en kon zij nadat ze cum laude was afgestudeerd als eerste promovenda aantreden bij de kersverse hoogleraar Sally Vroonstra. ‘En op welk onderwerp? Jawel, dames en heren: haar eigen promotor; een case study naar het samengaan van activisme en onderzoek in het werk van Sally Vroonstra. Veel viezer wordt het niet. Of wel? Kijk volgende week naar ‘Sally’s honingpot, deel 3’.’ Dikson Kar kijkt in de lens alsof hij moet overgeven, en misschien is dat ook wel zo. Hij is vrij ver afgegleden, zo veel is duidelijk.

‘Ver genoeg om Vroonstra van het dak te willen gooien?’, vraagt Amrani. Het zou zo maar kunnen. Maar toch, tussen droom en daad staan wetten in de weg. En een kast, in dit geval, waar Dikson Kar in opgesloten zat op het moment dat Vroonstra uit vliegen ging zonder vleugels.

Als ik in de auto zit, gaat mijn telefoon. ‘Joost Parmentier’, lees ik in het scherm. Ik druk hem weg, maar als hij een tweede keer belt neem ik op. ‘Je weet het, Joost.’
‘Ik weet het. Toch moet je maar even komen kijken wat ik ontdekt heb.’
‘Wat heb je ontdekt?’
‘Die kast waar Dikson Kar in opgesloten zat…’
Ik hang op. Ik ben er toch al. En ik had het kunnen weten. Kut Joost. Zoon van zijn vader. Had ik al gezegd, toch?

Binnen zit kale klets in de portiersloge. ‘Je collega’s zijn net vertrokken,’ roept hij, maar ik loop door. De kast bevindt zich in het atrium van het gebouw. Vlak ertegenover is de ingang van de lift. De glazen liftschacht reikt tot aan het plafond van het atrium, vijf verdiepingen hoger. Net als ik aankom bij de kast komen Joost en zijn vriend Raphael in de lift voorbij, op weg naar het souterrain met een nagenoeg lege rolcontainer. Even later komen ze boven.

Blijkbaar is de ruzie bijgelegd. ‘Zo, wij zijn klaar,’ zegt Raf. ‘Ik breng de sleutels naar Willem. Gaan we dan naar de stad?’
Joost knikt. ‘Ik kom zo - ik wil even iets aan Frederieke laten zien.’
Zonder mij aan te kijken loopt Raf in de richting van de portier. Joost komt bij me staan, bij de open kastdeur. ‘Heb je het al gezien?’, vraagt hij.
‘Wat gezien?’
Hij doet het licht in de kast aan. ‘Tot een paar jaar geleden, toen de nieuwe lift werd gebouwd, was dit een liftschacht. Deze kasten zijn er pas later ingebouwd.’
Hij wijst naar de vloer en vervolgens naar het plafond. ‘Zie je, het is gewoon een multiplex plaat op balken.’ Tegen de achterkant van de kast staat een ladder. Joost rolt de schoonmaaktrolley die ervoor staat opzij, zet de ladder wat beter neer en klimt omhoog. Boven aangekomen duwt hij een paar keer met zijn hand tegen het plafond. ‘Hier zit het goed vast. Hier ook. En hier. Maar hier…’ Een vierkante uitsparing in het plafond geeft mee. Joost duwt het opzij en klimt, gebruikmakend van de planken van de stellingkast eronder, soepel door het gat. Ik loop de kast uit en kijk omhoog, naar het balkon waar de eerste verdieping op het atrium uitkomt. Joost is er al. Grijnzend kijkt hij over de railing omlaag. Ietwat zelfvoldaan, ook - daar moet hij nog aan werken. ‘Kom je naar boven?’, vraagt hij. ‘Er is meer te zien.’

De kast op de tweede verdieping is in alle opzichten identiek aan die op de begane grond. Ook hier staat een schoonmaaktrolley. Joost wijst naar de vuilniszak die aan de trolley hangt. ‘Kijk maar.’ Onderin de zak ligt een prop kleren. Ik hoef ze er niet uit te halen om het schoonmakerskloffie van de man op de bewakingsbeelden te herkennen. Oftewel Jan Dikson Kar.

Terwijl we naar de uitgang lopen bel ik Amrani. ‘Wordt het huis van Kirsten Honig nog steeds in de gaten gehouden?’
‘Yep. Maar er is niemand thuis. Ontwikkelingen?’
‘Dikson Kar is onze man. Er zat een verborgen uitgang in die kast. Hij heeft zich verkleed als Barra om zo Vroonstra te grazen te nemen. Ik denk dat hij nu achter Honig aangaat.’
‘Rechercheur De Waal?’
Ik kijk op. Raphael, die op Joost stond te wachten bij de uitgang, heeft het laatste deel van mijn telefoongesprek gehoord. ‘Wist u dat Kirsten Honig ook een woonboot heeft?’
Kut.

De avond is gevallen en het regent. Joost zit naast me, Raphael geeft vanaf de achterbank aanwijzingen. Hij wist het adres niet, maar kon me er wel heen leiden. Zei hij, tenminste. Het zou kunnen dat Joost hem daartoe heeft opgezet, zodat ze mee moesten. Zou kunnen.

We rijden de Witte Singel op. ‘Het is glad en donker, De Waal. Opletten dus,’ prevel ik in mezelf. In de achteruitkijkspiegel zie ik Rafs wenkbrauwen omhoog gaan. Joost heeft vaker bij me in de auto gezeten: ‘Dat doet ze nu eenmaal Raf. Ik weet ook niet waarom.’

Voorbij de UB stuurt Raf me de Witte Rozenstraat in, en aan het einde daarvan naar rechts, de Jan van Goyenkade op. Na honderd meter markeren betonnen paaltjes het punt waar de weg overgaat in een fietspad. ‘En nu?’, vraag ik.
‘De eerste woonboot links na de brug. Die is van haar.’
Ik bel Amrani en vertel hem waar we zijn. Tegen de jongens zeg ik: ‘Goed. Jullie blijven hier, afgesproken? Geen fratsen, Joost.’

Als ik de achterklep van de auto opendoe om mijn dienstwapen te pakken, hoor ik Raphael me na doen. ‘Geen malle fratsen uithalen, hoor, Joost, anders zwaait er wat.’ Aiaiai. Klink ik al zo oud? Ik roep mezelf tot de orde. Geen tijd voor, meid. Werk aan de winkel.

Terwijl ik stil over de brug ren, observeer ik de woonboot. De gordijnen zijn dicht getrokken, maar door een kier zie ik het flakkerende schijnsel van brandende kaarsen. Bij de voordeur aangekomen houd ik in. De deur is open. In stilte laat ik mijn ogen wennen aan het donker. Binnen klinkt vaag gestommel. Langzaam tekenen de versplinterde resten van het deurframe zich af in het duister. Ik trek mijn pistool en duw de deur verder open. Vanuit de woonboot klinkt het gerinkel van brekend glas. Ik ga naar binnen.

Ik sluip door een donkere gang, één arm voor me uitstrekkend om nergens tegenop te botsen. Aan het einde van de gang vind ik op de tast een deurklink, die ik voorzichtig omlaag duw. Door een kier zie ik een naakte man in de kamer staan. Zelfs met zijn rug naar me toe herken ik Dikson Kar. In zijn rechterhand houdt hij losjes de steel van een moker vast. De enorme kop van de hamer rust naast zijn voeten op de vloer. Stil wiegt hij heen en weer, kijkend naar de vrouw in het bed voor hem, die op haar beurt hem lijkt aan te staren. Of slaapt ze? In het kaarslicht kan ik het niet goed zien.

Ik open de kamerdeur en stap naar binnen. Kirsten Honig, blijkbaar toch wakker, geeft een gil. Jan Dikson Kar laat de steel van de moker los, zodat deze kletterend op de vloer valt. Verward kijkt hij om zich heen. Als hij mijn getrokken pistool ziet, lijkt hij op me af te willen springen, maar zodra ik het op hem richt deinst hij achteruit, waarbij hij over de steel van de moker struikelt en achterwaarts ten val komt. Dan is het stil.

Tegelijkertijd beginnen ze te praten. ‘Wat gebeurt hier?’, vraagt Dikson Kar. ‘Jij hebt het gedaan,’ roept Honig. ‘Jij hebt Sally vermoord!’
Dikson Kar schudt zijn hoofd, nog steeds versuft, van de val of iets anders. ‘Maar dat weet je toch?’ Hij wil nog iets zeggen, maar Honig roept er overheen. ‘Jij hebt Sally vermoord, en nu kom je mij vermoorden!’ Ze richt haar blik op mij: ‘Je ziet toch dat hij me komt vermoorden?’ En nog een keer, haast smekend nu: ‘Je ziet toch dat hij mij komt vermoorden?’
Dikson Kar kijkt van haar naar mij en schudt weer zijn hoofd. ‘Ik weet niet waar ze het over heeft. Ik ben hier al de hele avond.’ Hulpeloos gebaart hij naar zijn lid, zeker geen sociaal construct, dat als een slap aftreksel van zijn meester tussen zijn benen hangt. ‘We zijn zelfs al met elkaar naar bed geweest.’
In plaats van Dikson Kar neem ik nu Kirsten Honig onder schot. Zo blijven we gedrieën staan, liggen en zitten, totdat ik achter me Amrani de kamer hoor binnenkomen. ‘Alles onder controle hier?’
Ik knik naar het bed. ‘Wil je de lakens wegtrekken?’
Voorzichtig om niet tussen mijn pistool en Honig in te komen doet Amrani wat ik hem vraag. Vervolgens zakt hij op zijn knieën naast het bed. Hij pakt haar handen beet, en rustig maar zeker vouwt hij ze open, om zo het keukenmes dat Kirsten Honig zo stevig vasthield dat haar knokkels wit zijn geworden, van haar over te nemen.

‘Kom op, je moet het ons vertellen, Frederieke. Zonder ons had je dat valluik niet eens ontdekt.’
Ik begin tegen te sputteren, maar wordt onderbroken door Raf, die Joost bijvalt. ’En was je nooit op tijd bij de woonboot van Kirsten Honig aangekomen.’
‘Als je het vertelt, koop ik een wodka martini voor je.’
‘Nee, dank je vriendelijk. Maar goed, jullie hebben wel gelijk - al had ik dat valluik zelf ook wel ontdekt, Joost.’
Joost geeft geen antwoord, maar roept door de verder lege zaak: ‘Drie wodka-martini, Bif.’
Eikel.
‘Goed. Terwijl jullie je hier zaten te bezatten, waren anderen aan het werk. En dit is wat zij - ik - te weten ben gekomen.
‘De val van Jan Dikson Kar was inderdaad min of meer bekokstoofd door Sally Vroonstra en Kirsten Honig. Niet in detail, maar het pakte allemaal nog beter uit dan ze hadden verwacht. Vast ook doordat ze een klein beetje GHB in zijn drankje hadden gedaan.’
‘Wat een stouterds,’ zegt Raf, maar een blik van mij is genoeg om de twinkeling in zijn ogen te doen doven. ‘Sorry.’
‘Achteraf kreeg Kirsten Honig last van haar geweten. Of ze zag opeens een mogelijkheid - dat is me nog niet helemaal duidelijk. Misschien allebei. In ieder geval heeft ze contact gezocht met Dikson Kar, zonder dat Vroonstra ervan afwist.’
‘En kregen ze een relatie?’, vraagt Joost. ‘Dat hebben ze dan goed verborgen weten te houden.’
‘Klopt,’ zeg ik. ‘En dat kwam vooral Kirsten goed uit. Zij wilde namelijk onder het juk van Vroonstra uit.’
‘Juk? Welk juk? Die twee waren twee handen op één buik,’ zegt Raf.
‘Ja, en dat was juist het probleem. Kirsten Honig had genoeg van de handen van Sally op haar buik.’
‘Maar ze trokken altijd samen op.’
Ik knik. ‘Daar heb ik vanmiddag een filmpje over gezien, van Dikson Kar, waarin hij beweert dat Kirsten Honig de muze was van Sally Vroonstra.’
‘De wichelroede!’, roept Raphael.
‘Ja, die. Maar het was dus precies andersom.’
‘Wat?’
‘Het was niet Honig die Vroonstra inzicht gaf in wat jongeren bezighield, maar juist Vroonstra die Honig voedde met allerlei theorieën over seksuele identiteit, genderfluïditeit en zo meer. Vervolgens liet ze aan de hand van Honig zien dat dat was wat leefde onder de jeugd.’
Rafs gezicht valt. ‘Dat meen je niet.’
‘Jawel. In ieder geval is dat hoe Honig het nu vertelt. Ze had er genoeg van, maar was inmiddels zo versmolten met Vroonstra dat ze geen andere uitweg zag.’
‘Dan volledige amputatie?’, vraagt Joost.
‘Ze wilde haar ook niet afvallen,’ ga ik door. ‘Op deze manier kon ze zowel zichzelf bevrijden, als Vroonstra in haar waarde laten.’
‘Wacht, nu ga je te snel,’ zegt Raf.
‘Ze heeft Dikson Kar voor haar karretje gespannen,’ zegt Joost.
‘Klopt. Ze heeft Dikson Kar ervan overtuigd dat ze gered moest worden uit de klauwen van Vroonstra. Dit was natuurlijk koren op de molen van de voorvechter van ridderlijke deugden, niet waar?
‘Dikson Kar heeft het hele plan bekokstoofd. Hij werkte vroeger op de faculteit voor sociale wetenschappen, dus kende hij het gebouw en wist ook van de oude liftschacht. Bovendien wist hij dat Barra de schoonmaker was en waar de bewakingscamera’s waren, dus kon hij hem makkelijk nadoen. De ruzie met Kirsten was een mooie vondst. Alleen was hij zo overtuigd dat zijn alibi zou werken, dat hij onvoorzichtig werd. Zo kon hij het niet laten om Vroonstra te betasten voordat hij haar van het gebouw afkieperde. Juist omdat haar borsten zijn ondergang waren geweest.’
‘Dat zou Barra nooit gedaan hebben,’ zei Raf.
‘Ja, dat dacht ik ook. Daarom verdacht ik hem ook niet.’
‘Waarom moest hij dan toch mee naar het bureau?’
‘Om Dikson Kar het idee te geven dat zijn plan gelukt was,’ antwoordde Joost.
‘Daarom liet ik Honigs huis ook in de gaten houden,’ zei ik. ‘Maar van die woonboot... Dat ik daar niet aan gedacht heb.’
‘Anders was het alsnog slecht met haar afgelopen,’ zei Raf.
Joost schudde zijn hoofd. ‘Nee. Met hem.’
‘Met hem? Hoezo.’
‘Dat zei Frederieke toch net? Honig gebruikte Dikson Kar om van Vroonstra af te komen. Voor haar was Dikson Kar niets anders dan een wapen om Vroonstra mee af te maken, en van dat wapen moest ze nu zelf zien af te komen.’
Kind van zijn vader, zei ik al, toch? Ik ga verder. ‘Precies. En dat was haar bijna gelukt. Toen we vanavond aankwamen bij haar woonboot, zag ik Dikson Kar in haar kamer staan met een moker. Eerst dacht ik dat hij haar af ging maken, zoals hij met Vroonstra had gedaan. Het gekke was, dat hij niet eens door leek te hebben waar hij was. De resultaten van het bloedonderzoek moeten nog terugkomen, maar ik denk dat Honig hem opnieuw gedrogeerd heeft. Eerst is ze met hem naar bed gegaan, om het succes te vieren. Daarna heeft ze zelf, toen hij voor pampus lag, de deur ingeramd. Vervolgens heeft ze de steel schoongeveegd, Dikson Kar wakker gemaakt en hem die moker in zijn handen geduwd. Hij was zo versuft dat hij niet door had waar hij was of wat hij deed, maar als ik niet net op dat moment was binnengekomen, had ze hem neergestoken. Exit Dikson Kar.’
‘Noodweer exces,’ zegt Joost.
‘Precies.’
‘Als het haar gelukt was.’
‘Wat maar de vraag is.’
‘En nu?’
‘Nu ga ik naar huis.’
‘Niet nog een wodka-martini?’
‘Nee. Het is mooi geweest.’