Moord Zit in de Lift
Ik was bezig te laat te komen.
Ik lag op mijn rug op het bankeneiland achter Leiden Centraal en keek naar de lucht. Naar de hemel, de stratosfeer, naar ’s blaue hinein - daar moesten betere woorden voor zijn… Maar mijn woordenschat was te klein.
Onbeholpen en klein. Zoals ik - Mats Spoel, dichter in gedachten, pretpunker, miskend talent (is het nou een chick of is het een vent?).
Houd je smoel, Spoel. Hou je bek, gek. Maar ik kreeg ze nog wel.
Dan ram ik mijn rijm als een pik in hun bek
Ze zuigen, ze likken verschrikt, ze raken verstrikt
In mijn woordenstroom.
Als ik klaarkom
Mijn gedachten op hun kin
Kruipt een oorwurm hun hersenpan in
Gedacht, gedicht, op hun gezicht gericht
Zo doe je dat -
Het gaat om de woorden, schat.
Ik moest gaan.
Ik had geen zin.
Vader wachte op de twaalfde verdieping van het Level-gebouw, in restaurant Twelve. Vaderrr.
Vaders en moeders, pikken en loeders.
Ze kakken je uit en kwakken je neer.
Hoppa.
En dan nog een keer.
Geen Larkin, dacht ik, en wiste het uit mijn gedachten. Fuck Larkin, trouwens (en Lucebert en Lanoye en al die zelfingenomen mannen die beter dichten in hun slaap dan ik in mijn stoutste dromen) - maar ik liet het toch uitgewist. Het eerste gedicht pende ik in onleesbare hanenpoten in mijn schrift. Misschien kon ik daar zondag meteen de aandacht mee pakken - daar zou ik later over nadenken.
Vader, dus.
‘Laten we iets gezelligs doen. Zoals vroeger. Naar het strand.’
‘Toen was ik vier, pap.’
‘Of we gaan lunchen.’
‘Dan liever naar het strand.’
‘Ik reserveer wel bij Twelve, dat is gezellig. Daar hebben we laatst toch zo leuk gegeten?’
‘Dat was twee jaar geleden en we kregen ruzie.’
‘Mooi. Ik app je de reservering. En Mathilde?’
‘Wat?’
‘Doe je wel iets gezelligs aan?’
Zo gaat dat, met mijn vader. Waarom ik telkens weer mijn best doe, weet ik niet. Meestal is het toch niet goed genoeg. Ik bekeek mezelf in de ruiten naast de draaideur, terwijl ik aan kwam lopen in mijn springerige, net-niet huppelpas. Zwarte kistjes, witte lentebenen, blauwe jurk. Jurk, ja. Lichtblauw, A-model, mouwloos, dus ook lente-armen. Ik zei toch dat ik mijn best had gedaan? Ik was zelfs naar de kapper gegaan. Ik aaide mezelf over mijn kale bolletje en grijnsde naar mijn spiegelbeeld. Met mijn lentehoofd en blauwe jurk was ik net een babypop. Een babypop op kistjes, met veiligheidsspelden in haar oren. Dat dan weer wel.
De lift stond klaar, maar ik was niet alleen. Normaal gesproken zou ik dan wachten op de volgende, maar de jongen die als laatste was ingestapt zag er interessant uit. Interessant is: rouwsluier haar, blauw-bleke ogen en dunne, bloedeloze lippen, waar wat zwarte lippenstift niet op zou mistaan. Dat van zijn ogen en lippen heb ik pas later gezien, toen ik hem van dichtbij mocht bekijken - nu viel me alleen zijn zwarte rouwsluier op, het bleke gezicht, ietwat voorover gebogen hoofd, zijn vaalzwarte, openhangende hemd en eveneens vaalzwarte, been-omklemmende broek. John Keats, kortom, niet stervend in een bed in Rome, maar staand in een lift in Leiden. Hij vond ook dat ik er leuk uitzag, vertelde hij me later. Dat hij niet wist hoe snel hij de liftdeuren moest laten sluiten toen hij me zag, deed daar niets aan af. Ik sprinten dus, en mijn voet tussen de deur.
Het was dringen in de lift. Behalve de Leidse Keats was er een opa in een rolstoel, zonder benen, die vergezeld werd door een moslima in full battle dress - eerder thuiszorg dan kleindochter, dacht ik. Omdat er geen plaats voor me werd gemaakt, nestelde ik me me in de aura van de stervende dichter.
De lift zette zich in beweging. De ongemakkelijke stilte werd doorbroken door de man in de rolstoel. ‘Geil, zo’n kale…’
Hij maakte zijn zin niet af. Er klonk een doffe klap, direct gevolgd door een boos ‘Godverdomme, blijf met je tengels van me af’ en een sussend ‘Stil maar, meneer.’
Ik keek over mijn schouder, recht in de ogen van G.I. Jamila. ‘Sorry daarvoor… Meneer is dementerend en weet niet wat hij zegt.’
‘Ik ben helemaal niet dement,’ riep de man.
De lift stopte. Ik had al een stap naar voren gedaan toen ik zag dat ik me vergiste - dit was niet mijn verdieping. (‘Zoek je verdieping? Neem de lift!’, dacht ik onwillekeurig, gevolgd door: ‘Zin in geweld? Probeer een trap.’) Het was nauwelijks een verdieping te noemen. Er waren geen muren, vloeren of plafonds, geen tussenwanden of deuren. Alleen maar beton en stof en rijen stempels om het plafond voor instorten te behoeden en met plastic afgeplakte ramen die hier en daar door een kier een verweesde zonnestraal doorlieten. Het was alsof het doek was opgegaan en in plaats van een kasteel plots een ruïne op het podium stond, of de lift was een tijdmachine en wij… De torens van februari, flitste het door me heen, dit zijn de torens van februari.
Toen ik zag dat ik verkeerd was stopte ik met uitstappen, waardoor Keats tegen me op botste en me bijna uit de lift duwde. Boos keek ik om. ‘Sorry, wilde je eruit?’
‘Nee,’ zei Jamila, al had ik het niet tegen haar.
‘Nee, sorry. Ik ga naar boven,’ antwoordde de jongen. Zijn stem klonk zacht, verlegen haast.
De liftdeuren schoven weer dicht. Opeens begon de oude man te schreeuwen: ‘Waar breng je me heen, godverdomme?’
Jamila, sussend: ‘Stil maar, meneer, we zijn er bijna.’
Hij leek opnieuw iets te willen zeggen, maar kwam niet uit zijn woorden. Een mechanisch belletje kondigde het eindpunt aan en de liftdeuren schoven open.
Vlak voordat ik uitstapte werd ik me ervan bewust dat de jonge dichter op mijn hoofd ademde. Het was op zich geen onprettig gevoel, zijn warme adem op mijn lente-schedel, maar het was nogal intiem en we kenden elkaar nog maar net. Opeens schoot hij me voorbij, de lift uit, waardoor ik bijna tegen de rolstoel aanbotste en half vallend de lift verliet.
Verward richtte ik me weer op. Dichters adem tintelde nog op mijn schedel. Ik had het er warm van gekregen. Waar was hij zo snel heen gegaan? Ging hij ook naar het restaurant? Ik probeerde het gevoel in woorden te vangen, voordat de sensatie uitdoofde, maar werd afgeleid door het belletje van de lift, dat telkens luidde, en de telkens open en dichtschuivende liftdeuren. Ping. Open. Dicht. Ping. Open. Dicht. Ping. Ik liet de woorden waar ik toch geen vat op kreeg vervliegen en draaide me om. Tussen de deuren stond de rolstoel. De oude man hing voorover en leek elk moment uit de stoel te zullen vallen. Zijn begeleidster was nergens te bekennen. Ik sprong naar voren om hem rechtop te zetten, maar zijn bovenlichaam was te zwaar, of hij werkte me tegen. Plotseling schrok ik. Hij zou toch niet dood zijn? Ik zakte door mijn knieën. Hij leefde nog. En zo te zien was hij woedend.
‘Gaat het?’, vroeg ik.
Zijn opengesperde ogen vonden de mijne, stelden zich kortstondig scherp, schoten weer opzij. Hij zei iets, maar door lispelend kwijl en opeengeklemde kaken verstond ik hem niet. Ik draaide mijn hoofd naar hem toe. ‘Wat zeg je?’
Vochtigwarme lucht raspte amechtig uit zijn rochellongen omhoog, maar woorden hoorde ik niet. Net voordat ik het opgaf, bang dat getijdenpoelletjes zich zouden vormen in mijn gehoorgang, sprak hij opnieuw. Ditmaal verstond ik hem wel: ‘Ze hebben haar de liftschacht ingeduwd.’
Mijn vader zat aan een tafel bij het raam, op zijn telefoon te tikken. Toen ik een stoel weghaalde om plaats te maken voor de rolstoel, keek hij verstoord op. ‘Sorry…’
Ik plofte tegenover hem neer en zei, met een knik naar de ondertussen wat opgekalefaterde man in de rolstoel, ‘Rol Stoel, dit is mijn vader, Martin Hendrikus Spoel.’ Tegen mijn vader zei ik: ‘Rol hier is achtergelaten bij de lift. Hij is dement en zit in een rolstoel, dus kon ik hem moeilijk laten staan. Wat vind je van mijn jurk?’
‘Hoezo, achtergelaten bij de lift?’
Ik legde het uit, maar nog voordat ik uitgesproken was wenkte vader iemand van de bediening.
‘Heeft u een keuze kunnen maken? Zal ik nog een plaats bij dekken?’
‘Graag,’ zei ik.
‘Nee,’ zij mijn vader. ‘Mijn dochter heeft deze man gevonden bij de lift. We hebben geen idee wie hij is. Hij is dement. Kunt u hem meenemen?’
‘Pap!’, riep ik, ‘Dat kan je toch niet maken?’
De ober was duidelijk met het verzoek verlegen. Plotseling klaarde zijn gezicht op. ‘Wacht,’ zei hij, ‘ik haal de manager er even bij.’
Rol sloeg het gesprek vol interesse gade. De manager legde uit dat aangezien wij Rol mee naar binnen hadden genomen, wij hem straks ook mee naar buiten mochten nemen, en dat het verder niet zijn pakkie an was. ‘Zal ik een extra kaart halen?’
Rol knikte enthousiast.
Mijn vader gaf zich gewonnen. Toen we besteld hadden, Rol met een bevende vinger het duurste op de kaart aanwijzend, en het eten gebracht was, had hij zich herpakt. Hij nam een hap van zijn kroket met brood, legde zijn bestek neer, veegde een mondhoek af en vroeg: ‘Wat ben je eigenlijk van plan, Tillie?’
‘Wil je me niet zo noemen? Ik neem hem straks mee naar het politiebureau.’
‘Dat bedoel ik niet. Wat ben je van plan met je leven? Wat drijft je? Wat is je passie?’
‘Niet weer hè, pap.’
‘Heb je weleens aan rechten gedacht? Da’s best iets voor jou. Jij bent toch zo bezig met taal? Met schrijven en zo? Da’s hartstikke handig, hoor. Bij rechten.’
‘Ik dicht, pap.’
‘Leuke studie, ook, rechten. Kan je alle kanten mee op.’
Hij nam nog een hap van zijn kroket en keek me aandachtig kauwend aan. Opeens vroeg hij: ‘Wat is er met je haar gebeurd?’
‘Afgeschoren. Vind je het mooi?’
Hij slikte door, nam een slok water, veegde zijn mond opnieuw af en wenkte de ober. ‘Mag ik de rekening?’
Tegen mij zei hij: ‘Eet maar rustig door, lieverd. Ik heb zo een afspraak met een klant.’
Hij rekende af en gaf me een zoen. ‘Rechten. Denk er maar over na. Da’s echt iets voor jou.’
Met zijn buik vol had Rol weer praatjes.
‘Waar gaan we heen, kale?’
‘Naar het politiebureau.’
‘Het politiebureau? Niks daarvan. Breng me maar gewoon naar huis, moppie.’
‘Wil ik wel doen, maar dan moet jij me vertellen waar je woont.’
Daar kwam dan weer geen antwoord op, dus ging ik met Rol naar het politiebureau. De kortste weg was door het station, maar ik had geen zin in het gedoe met de toegangspoortjes, dus liep ik via de fietserstunnel naar de Morssingel. Van daar kon ik doorsteken naar Molen de Valk en zo de Langegracht in.
Het was een mooie dag. De zon deed dingen met het water waar ik over na moest denken. Het zonlicht weerkaatste op het water - nee, het weerspiegelde in - nee, en goed deze keer: Het zonlicht spatte op het water in duizend sterren uiteen waarmee het licht-alles-lichter leek en de zon-alles-zonniger, maar achter de sterren en doorheen het licht ligt de nacht, het zwart, het koude, eindeloze gat, tijloos en stil, te wachten, en zelfs dat niet.
‘Wat bazel je nou?’
Ik herhaalde het. Rol luisterde aandachtig en zei: ‘Weet je wat jij zou moeten doen?’
‘Nou?’
‘Rechten.’
Terwijl ik de kant afzocht naar de beste plek om een rolstoel het water in te rijen zag ik mijn vriend Raf zitten, in het gras, samen met Joost Parmentier. Ik had natuurlijk kunnen zeggen: mijn vrienden Raf en Joost, maar Joost is niet echt een vriend. Daarvoor is hij te afstandelijk, te geïnteresseerd in het donkerte achter het licht (ook al had ik daar zelf net over gedicht), te zelfingenomen, ook. Niet onaardig, niet onleuk, maar geen vriend. Niet echt.
Wat mijn hart er niet van weerhield bij het zien van Raf een pirouetje in mijn borst te draaien. Na de lunch met vader kon ik wel wat Raf gebruiken.
Toen hij me zag sprong hij op en riep: ‘Dat haar - I love it!’ Dikke knuffel, waarna hij me met twinkelogen bleef aankijken: ‘G.I. Jane.’ (Zie je wel? Great minds think alike.) Tegen Joost zei hij: ‘Je weet toch dat Mats zondag in de finale van de poetry slam zit? Ze gaat ze allemaal te grazen nemen.’
Rol begon weer te grinniken. ‘Ze is zelf te grazen genomen. Met d’r kale doos.’
Ik vertelde hoe ik Rol in de lift had ontmoet. En over mijn dichter, natuurlijk, en de verborgen verdieping van het Level-gebouw en hoe Rol was achtergelaten. Joost leek het allemaal niet zo te boeien, maar toen ik klaar was vroeg hij: ‘En nu ga je hem naar het politiebureau brengen? Ik loop wel even mee, oké?’
Zonder het antwoord af te wachten sprong hij op. Raf lachte en zei: ‘Ik zie het al: Joost vermoedt vuil spel. Nou, ik zou graag met jullie meegaan, maar ik moet bijles geven.’ Geveinsd grijnzend voegde hij eraan toe: ‘Aan Anna.’
Joost, ditto: ‘Oh? Anna wie?’
‘Anatomie.’
Ik deed een hink-stap-sprongetje, duwde mezelf op de handvatten van de rolstoel omhoog en probeerde, terwijl we de Rijnsburgerbrug afrolden, de grond niet te raken - totdat de rolstoel achterover kantelde en Rol ‘Godverdomme’ riep.
Ik kreeg een idee en wendde me tot Joost. ‘Hé - jij bent toch zo’n speurneus? Kan jij hem niet voor me vinden?’
‘Wie?’
‘Mijn dichter. Uit de lift. Die op mijn hoofd ademde.’
‘Beschrijf hem eens.’
‘Hij had droevige ogen en zwart haar, kort van achter en aan de voorkant een lok.’
‘Wat voor kleren had hij aan?’
‘Gewoon. Een donkere bloes, zwart T-shirt, strakke broek.’
‘Hoe oud?’
‘Twintig? Iets jonger, misschien?’
We kwamen langs het steegje van de Nobel. Nog twee dagen, en ik ging hier weer ‘bezig met taal’. Dank voor je belangstelling, vader. Fijn dat het je is opgevallen.
‘Oké,’ zei Joost. ‘We zoeken dus een slanke emo van rond de twintig, verlegen, ongeveer één meter vijfentachtig lang. Ik denk dat dit er een is voor Dirk Gently.’
‘Dirk wie?’
'Dirk Gently, holistisch privé-detective. Van Douglas Adams - van de Hitchhiker's guide to the Galaxy... Nee?'
Nee, inderdaad, nooit van gehoord. Joost trekt zijn schouders op en zegt: 'Is ook een beetje bêta-humor.' Daarna, weer on-topic: ‘Je zou rond kunnen kijken in de buurt van het Lipsius, of bij de UB. Letteren, Geesteswetenschappen, daar lopen wel meer van dat soort types rond. Maar ik geef je weinig kans. Gewoon wachten tot je hem weer tegenkomt, en dan erop duiken.’
Erop duiken. Dat leek me wel wat.
Op het politiebureau liet Joost mij het woord doen. Terwijl we wachtten - kwijtgeraakte bejaarden hadden geen prioriteit, leek het - begon Rol te wiebelen in zijn stoel.
‘Wat is er, Rol?’, vroeg ik.
‘Rol mijn broek. Ik moet pissen.’
Ik zocht naar een toilet. Opeens begon Rol te schreeuwen: ‘Lisa! Lisa!’ Hij keek om zich heen, mompelde: ‘Godverdomme,’ en schreeuwde nog een keer om Lisa. Joost stond op en pakte de rolstoel. ‘Ik ga wel even.’
‘Lisa?’, vroeg Rol.
‘Lisa is er niet, ouwe’ zei Joost, maar niet onlief, en legde zijn hand op de schouder van de oude man. ‘Je zult het met mij moeten doen.’
Joost kende blijkbaar de weg. Hij verdween met Rol een gang in. Toen ze vijf minuten later terugkeerden liet Joost me een visitekaartje zien. ‘We hebben de politie niet meer nodig. Dit viel uit zijn zak toen ik hem op de wc zette. Hij heet Eduard van Schie. Hij woont hier vlakbij - op het Bonaireplein.’
Op het kaartje stond: ‘Ik ben Eduard van Schie en ik heb dementie.’
Onder het adres stond een handgeschreven 06-nummer.
‘Met Lisa.’
‘Hi,’ begon ik. ‘Ik ben hier met Eduard van Schie…’.
Nog voordat ik mijn zin had afgemaakt klaterde een waterval van lieve woordjes over me heen.
‘Ha, lieverd. Ik dacht al dat jij het zou zijn. Je belt zeker om te zeggen dat jullie wat langer wegblijven? Hebben jullie het fijn samen? Prima hoor. Wat een heerlijke dag, hè? Geniet er maar lekker van, ja toch? Nu het nog kan. Gaat alles goed verder? Nou, heerlijk. Ik zie jullie straks wel weer verschijnen, oké?’
Voordat ik iets terug kon zeggen, had ze al opgehangen. Vertwijfeld keek ik naar mijn telefoon, vervolgens naar Joost. Die grijnsde alleen maar mysterieus en bleef Rol, herstel, Eduard van Schie, rustig voor zich uit duwen in de richting van het Bonaireplein.
Het Bonaireplein ligt in de Kooi. Vroeger was dat een volksbuurt, laatst hoorde ik een klasgenoot het een omvolksbuurt noemen. Die was ook leuk bezig met taal.
Ik vertelde het aan Joost. Die zei alleen maar: ‘Tsja.’
‘Tsja?’
Hij haalde zijn schouders op en zei opnieuw: ‘Tsja.’
‘Wat bedoel je?’
‘Dat zo’n jongen zich ook alleen maar staande probeert te houden, maar niet doorheeft dat hij op krukken van stront loopt.’
Krukken van stront, dacht ik. Nou nou, grote woorden. Weet je wat jij zou moeten doen, Joost Parmentier? Nou? Dichten.
‘De meeste mensen zijn oké,’ ging Joost verder. ‘Ook al zeggen ze stomme dingen.’
Gelukkig zegt jij alleen maar slimme dingen, dacht ik.
En waar zijn jouw krukken dan van gemaakt, Joost Parmentier? Goud? Maar ik zei het niet hardop.
Eduard van Schie was al voor het einde van de Langegracht in slaap gesukkeld in zijn rolstoel. Via de Herensingel liepen we de Kooilaan in. Joost kletste verder over mensen en hoe weinig ze van zichzelf begrijpen. Telkens als een jongen met donker haar voorbij fietste hoopte ik op mijn dichter, maar hij was het nooit.
Bij het Bonaireplein was het even zoeken naar het goede adres, en vervolgens naar de juiste naam op het belbord. Bij E. van Schie deed er niemand open - niet zo gek, gezien de snurker in de stoel naast ons - dus probeerden we de bel van Libertas Leiden.
‘Libertas,’ zei Joost, terwijl we op antwoord wachten. ‘Dan geef je er wel een heel positieve draai aan.’
‘Waaraan?’
‘Dementie.’
Ik keek naar Eduard van Schie en zei: ‘Het is toch ook een soort vrijheid? Dat zou ik soms ook wel willen. Dat er alleen maar voor je gezorgd wordt. Dat je nergens verantwoordelijk voor bent.’
‘Dat niemand iets van je verwacht, zodat je ook niemand kan teleurstellen.’
‘Zoiets, ja.’
‘Of zodat er gewoon van je gehouden wordt, no strings attached?’
Eikel.
In de hal verscheen een frêle, blonde vrouw in een wit verpleegsterspak. Door de glazen deur zag ik hoe haar aanvankelijke glimlach plaatsmaakte voor verbazing. Ze trok de deur open en staarde me aan. Toen stamelde ze: ‘Maar… Maar… Vanmorgen was je heel iemand anders!’
Ik begon uit te leggen hoe ik Ed van Schie was tegengekomen, maar Joost onderbrak me: ‘Haar hoofddoek, bedoel je? Die was zodat je niet zou schrikken van haar kale hoofd… Niet iedereen reageert er even goed op, weet je…’
De verbazing op het gezicht van de vrouw maakte plaats voor mededogen. Ze deed een stap naar voren en pakte mijn arm met twee handen vast. Pas toen ze begon te praten viel het kwartje. ‘Ach, schat, was dat het? Maar dat had je niet hoeven doen, hoor. Ik weet er alles van - helaas. Mijn vriendin heeft het ook gehad. Maar het is helemaal goed gekomen hoor! Kom maar binnen, dan leg ik Edje in zijn bedje en drinken we lekker een kop thee. Is alles goed gegaan vandaag?’
Terwijl Lisa - want dit was de Lisa om wie Ed eerder had geroepen - Ed in bed legde, wachtten Joost en ik in het keukentje van zijn flat. Ik keek Joost kwaad aan en wees naar mijn hoofd. ‘Kanker?’, siste ik.
Gedempt door het lawaai van de waterkoker fluisterde Joost: ‘Prima, toch? Laat mij straks het woord maar doen.’
Ik had mijn portie Joost wel weer gehad. Maar ik had het ook met mezelf gehad, natuurlijk. Ik had Rol toch gevonden? Ik had toch besloten om met hem naar het politiebureau te gaan? Waarom voelde ik me dan een figurant in een van Joosts verhalen? En waarom liet ik dat gebeuren?
Zoals ik dan doe, liet ik direct op de constatering de confrontatie volgen. Ik riep: Wat nou, jou het woord laten doen? Ik ben hier van de woorden, Joost Parmentier! Wat dacht je? Dat je gewoon over Mats van Schie heen kon walsen, met je ontwapenend onhandige, maar o-zo zorgvuldig aangemeten arrogantie? Met je zogenaamd niet-jezelf-ontziende alles en iedereen relativerende gezeik? Met je betweterig gezwets? Nee, ik laat jou het woord niet doen - mijn woorden doen jou, en denk maar niet dat ze bezig zijn met wat jij lekker vindt.
Natuurlijk zei ik dat niet. Ik dacht het niet eens. In de verste verte niet. Hooguit merkte ik dat mijn chakra zich een paar centimeter had verplaatst, waardoor ik niet meer zo lekker in mijn vel zat, en op zoek moest naar de oorzaak van de subtiele verandering in mijn zelfbeleving - en zelfs dat had ik toen niet zo kunnen verwoorden (al ben je nog ze lekker bezig met taal, als je niet weet wat je moet verwoorden schieten woorden altijd tekort).
Dus liet ik mijn gedachten overstemmen door het aanzwellende ruisen van de waterkoker en bleef daarna zwijgen, ook al speelde ik Joost daarmee in de kaart, met zijn verweesde-dochter scenario, die haar vader opzoekt op zijn, misschien ook haar, sterfbed. Het voelde als een soort low-grade aanranding, en het dagende besef dat de enige geloofwaardige rol voor Joost in deze emo-porn die van vriend, partner of sexgenoot was, maakte het er echt niet beter op.
Dus keek ik naar het spreekwoordelijke plafond en wachtte tot het voorbij was, en hoorde ik maar half hoe Joost aan Lisa het levensverhaal van Ed van Schie ontfutselde, een verhaal waarin een verschrikkelijk ongeluk, verlamming en verlies centraal stonden, en dat Lisa voor even haar afschuw over mijn pseudo-kanker deed vergeten. Tot slot verzuchtte ze dat dementie voor sommige mensen toch ook een zegen moet zijn, ‘ondanks alles’. Daarna viel haar blik weer op mijn kale hoofd, liep ze rood aan en begon haastig de theekopjes op te ruimen.
Toen Joost en ik even later samen terugliepen naar de stad, hij vissend naar complimenten als een minnaar die voor het eerst zijn vriendin op haar tweede mondje gezoend heeft, bleef ik zwijgen. Niet uit rancune, maar omdat ik weer aan mijn dichter dacht. Ik vroeg me af of hij, als dichter, (ook al wist ik dat hij in het echt geen dichter was), misschien zondag bij de poetry slam zou zijn - wat me eraan deed denken dat ik mijn voorbereiding op de grote dag iets anders had voorgesteld dan deze dwaaltocht door Leiden met Ed en Joost. En dat ik morgen dus nog veel te doen had, wilde ik het zondag niet verkloten. Zo dacht ik vierkantjes rond, tot we afscheid van elkaar namen in de Breestraat.
Waarbij Joost zei: ‘Het zit met toch niet helemaal lekker.’
‘Wat?’
‘Dat je Eduard van Schie uitgerekend in een lift tegen moest komen.’
Ik zag in de weerspiegeling van een winkelruit een bleke jongen met zwart haar voorbij fietsen. Toen ik me omdraaide bleek het een meisje te zijn. Samen keken we haar na. ‘En die dichter van jou is ook niet helemaal zuiver op de graat, geloof ik.’
‘Hoezo?’
Joost haalde zijn schouders op. ‘Dat weet ik nog niet - maar ik ga er wel achter komen.’
Ik liep door de Bree en overdacht Joosts laatste woorden, toen naast me een verlegen ‘hoi’ klonk.
Ik durfde niet te kijken.
Stopte, zodat hij voor me kwam te staan, half naar me toegekeerd. Aan zijn licht naar binnen gedraaide voeten droeg hij vertrapte all-stars. Zwart, natuurlijk. Ik durfde nog steeds niet te hopen, maar keek toch op. Vanachter zijn donkere lok keek hij me schuin aan, met licht toegeknepen ogen.
Nu hij eindelijk voor me stond, wist ik niet wat ik moest zeggen. De straat ging aan ons voorbij, totdat hij de stilte verbrak: ‘Je was opeens weg.’
‘Ik weg?’, vroeg ik. ‘Jullie waren juist weg, en ik bleef achter met Eduard van Schie… Met de man in de rolstoel, bedoel ik…’
‘Sorry… Ik weet ook niet waarom ik ‘m nokte. Ik kon niet meer blijven.’ Hij haalde zijn schouders op, zei opnieuw: ‘Sorry.’
‘Wat deed je daar eigenlijk?’
Een van zijn all-stars zocht toenadering tot de andere. ‘Weet ik veel… Ik wilde de zee zien.’
‘En?’
‘Toen zag ik jou en boeide de zee me niet meer.’
‘En die vrouw?’
‘Welke vrouw?’
‘Die moslima. In de lift.’
‘Oh, die.’ Hij haalde zijn schouders op. ‘Die ken ik niet.’
‘Je bent toch geen dichter?’
‘Wat?’
‘Of je een dichter bent.’
‘Een dichter? Nee.’
Nee, natuurlijk was hij geen dichter. Dat had ik van hem gemaakt.
‘Ik ben je gevolgd.’
‘Gevolgd?’
‘Sinds je met die ouwe…’ Hij haperde. ‘Met die man in de rolstoel naar buiten kwam.’
‘Waarom?’
Ik wist al waarom, maar wilde het hem horen zeggen. Hij wilde het zelf ook zeggen, ook dat wist ik. Soms klopt het gewoon. Soms was nu. Hij zei: ‘Je zag er leuk uit.’
Hij was me de hele middag gevolgd. Had me eerder willen aanspreken, maar net toen hij zijn moed bij elkaar geraapt had, was ik ‘die twee jongens’ tegengekomen. Dus had hij gewacht tot nu, totdat ik weer alleen was. Hij veegde het haar uit zijn ogen en keek me aan. ‘Maar ik durfde je bijna niet aan te spreken, want het is wel een beetje creepy, dacht ik, zo’n stalker.’
‘Je had ook kunnen wachten op de plek waar je me voor het eerst zag, omdat ik daar wel weer verschijnen zou…’, zei ik tegen beter weten in, want wie kent dat nog?
‘In de lift?’ Hij schudde zijn hoofd. ‘Nee, ik houd niet van liften.’
We begonnen te lopen. Ik vertelde dat hij op John Keats leek, die hij niet kende, dus vertelde ik over Keats en hoe we bij Engels zijn Stanzas hadden moeten vertalen en hoe ik daardoor was gaan dichten. Dat klonk leuk, zei hij, zo’n school. Hij had op verschillende scholen gezeten, in verschillende steden, maar had niks afgemaakt. Hij kwam uit Leiden, maar was opgegroeid in ‘pleeggezinnen en zo’. Nu woonde hij weer hier, bij zijn zus. Zijn moeder leefde niet meer.
Ik begon over het gedoe met vader te vertellen maar vond mezelf opeens een aansteller en mijn problemen aanstellerij, maar hij was lief. ‘Je hoeft je niet te schamen, of zo, omdat je ouders van je houden.’ Zo praatten we de straten aan elkaar, het Rapenburg, de Keizerstraat, linksaf langs de Singel, zonder het te zeggen op zoek naar een goede plek om te gaan zitten (en meer, hoopte ik, want hij vond me leuk, en ik hem, en het was zo’n zachte nacht in mei…).
Aan het begin van de Jan van Houtkade vonden we ons hofje voor even: anderhalve meter platgetrapt gras (door wie of wat, dat kon ons niet schelen), achter een electriciteitshuisje in het riet, onzichtbaar vanaf het water en de straat, zelfs vanaf de brug, nog geen twee meter van ons vandaan, vanwaar naarmate de avond en wij vorderden steeds minder vaak het vlagerig geschater van passerende fietsers weerklonk, tot het overkomende donker alle kleur en diepte en distinctie uit de dag verdreef, zodat niets overbleef dan het warme duister en onze monden op elkaar.
Hij was lief en afwachtend maar niet te, en samen schreven we een gedicht van buigende takken en fluisterend water. Als je goed luisterde, met je ogen dicht, kon je er ook het razen van de zee in horen en, diep onder ons, het stromen van de nog niet gestolde aarde, maar het was niet meer dan een geruis en overstemde niet ons traag uitgesponnen geluk.
Het had eeuwig kunnen duren, of ten minste tot de dageraad, ware het niet voor Bello en zijn baas. Bello, koude neus en slobbertong, die met zijn gummiknuppelstaart de vreugdetrom op onze in elkaar verstrengelde lijven sloeg, rommelde-bom-bom. Als het niet zo grappig was geweest had het pijn gedaan. En dan zijn baas, in weerwil van het adagium dat honden en bazen op elkaar lijken de beheersing zelve, lang zilvergrijs haar ton-sur-ton op zijn zilver-zijden pak, literair sterrenstof in het impromptu toneellicht van een Leidse lantaarnpaal. Met ironiserend oog beschouwde Hij het tafereel.
‘Wat is er?’, vroeg mijn dichter. ‘Ken je hem?’
‘De maan heeft geen liefde nodig om te stralen,’ stamelde ik.
Toen was de man uit Genua verdwenen. Op zijn plaats stond morsig en dik een glibber in versleten aussie. Nonchalant krabde hij tussen zijn liezen en koprolde: ‘Terrek je van Bello niets aan hoor, die is non-binairr.’
Falsetto kakelend verdween de glibber in de nacht. Bello rende twee en een halve rondjes om ons heen, duwde ten afscheid zijn neus in mijn oksel en ging achter zijn baasje aan. Toen het gekras van zijn nagels op de stoeptegels uitgestorven was, keek ik mijn dichter aan en zei: ‘Dit was een teken. Ik moet naar huis.’
Ergens sloeg een klok twaalf uur. Ik dacht aan Assepoester en drukte me stevig tegen mijn dichter-prins aan, blij dat ik nog even blijven kon.
Opeens lachte ik.
‘Wat is er?’
‘Ik weet niet eens hoe je heet.’
‘Jonas.’
‘Jonas,’ herhaalde ik. Zelfs zijn naam voelde lekker. ‘Mats. Aangenaam kennis te maken.’
We zoenden.
Lang.
Tot op het Rapenburg zeiden we niets tegen elkaar. Ik wilde op zijn rug springen en hem in zijn nek bijten, maar durfde niet.
Opeens zei hij: ‘Die ouwe, van vanochtend. Ik... Ik heb tegen je gelogen. Ik ken hem wel. Hij heet Ed van Schie. Hij is de reden dat we weg moesten bij mijn moeder.’
Ik pakte zijn hand, kneep erin.
‘We woonden met zijn drieën - mam, Marit en ik, in een flat bij het Diamantplein. Met mama ging het niet zo goed. Ze was ziek, kon weinig hebben. Wij moesten dus vaak naar buiten, zodat zij kon rusten. Dat was niet erg, of zo, hoor. Er waren genoeg andere kinderen om mee te spelen. Maar soms vergat mijn moeder de tijd…
‘Er was een vrouw in die flat, Ellie. Ellie is toen een beetje voor ons gaan zorgen.’ Jonas grinnikte. ‘Ze noemde ons haar nooit-kinderen, omdat ze altijd had gezegd dat ze nooit kinderen wilde.
‘Ed was haar broer - Eduard van Schie. En Ed vond het maar niets, dat Ellie… Ze moest voor hem zorgen, weet je. Omdat ‘ie in een rolstoel zat. Terwijl er eigenlijk niets met hem aan de hand was.’
‘Oh,’ zei ik. ‘Ik dacht dat hij verlamd was geraakt door een ongeluk.’
‘Wat voor ongeluk?’
‘Hij is als kind aangereden. Sindsdien was hij verlamd.’
‘Oh. Wij dachten altijd dat er helemaal niets met hem aan de hand was… Dat het hem goed uitkwam om in een rolstoel te zitten en een uitkering te vangen en door zijn zus verzorgd te worden.’
Jonas viel even stil, maar ging toen verder met zijn verhaal.
‘Ed moest niets van ons hebben, dus heeft hij gedaan alsof wij geld jatten van Ellie. Had ‘ie vijf briefjes van twintig in mijn jaszak gestopt, toen mijn jas bij hun aan de kapstok hing. Kwam hij later bij ons verhaal halen, met Ellie. Ze wilde het niet geloven, maar hij haalde die honderd euro zo uit mijn zak, waar mijn moeder bij was. Hij wist precies waar het zat. Mijn moeder boos, Ellie huilen, maar we kwamen er bij haar niet meer in. Daar zorgde Ed wel voor.’
‘En toen?’, vroeg ik.
‘Toen zijn we hem terug gaan pakken, natuurlijk. Ellie was een soort moeder voor ons geweest, en die waren we opeens kwijt. Door hem.’
‘Terugpakken, hoe?’
‘Gewoon. Kindergedoe. Kattenkwaad. Door die rolstoel moest hij altijd met de lift. Dus hielden wij alle liften bezet als hij eraan kwam. Of we lieten hem juist op elke verdieping stoppen. Dat soort dingen. Hij over de rooie. Maar dat maakte het voor ons alleen maar leuker. Dus wij gingen steeds verder, verzonnen steeds nieuwe manieren om met hem te kloten…’
‘Wat voor dingen?’
‘Wat ik zei - kattenkwaad. De lift stil zetten en dan van buiten op de liftdeur slaan…’
‘Dat lijkt me best wel kut.’
Jonas haalde zijn schouders op. ‘Had ’ie ons maar niet moeten verneuken.’
‘En toen?’
‘Toen is ‘ie er werk van gaan maken. De politie bellen, maar dat maakte het alleen maar spannender. Totdat Veilig thuis erbij werd gehaald…’
‘Veilig thuis?’
‘De kinderbescherming. Die vonden dat er bij ons geen “veilig leefklimaat” was. Dat mama…’ Hij maakte zijn zin niet af.
‘Dus door Ed van Schie zijn jullie weggehaald bij je moeder?’
Jonas knikte.
‘En wat waren jullie gisteren dan aan het doen?’
Jonas lachte wrang. ‘Pay back. Mijn zus werkt in dat gebouw, had die verlaten verdieping ontdekt. We wilden hem alleen maar bang maken.’
‘Maar hij is hartstikke dement…’
‘Dat wisten we niet. Daarom zijn we ‘m ook genokt.’
Jonas trok me tegen hem aan. ‘Sorry dat ik tegen je gelogen heb.’
‘Geeft niks. Ik snap het wel.’ Terwijl ik de woorden uitsprak, wist ik dat ze niet waar waren - ik snapte er helemaal niets van... Maar wat wist ik nou? Met mijn vader die me uit lunchen nam in Twelve, en er maar op aan bleef dringen dat ik rechten moest studeren?
Bij de fietsenstalling op het station vroeg ik wanneer we elkaar weer zouden zien.
Jonas gaf geen antwoord. Aan de overkant van het plein, bij de uitgang van het Level-gebouw, kwam een vrouw in een vormeloos bewakingspak naar buiten en stak een sigaret op.
‘Mag ik je nummer?’, vroeg ik.
Zijn gezicht vertrok even. ‘Ik heb geen telefoon.’
Ik schreef mijn nummer op een papiertje en gaf het hem.
Ik wilde hem heel graag zoenen. ‘Wanneer zien we elkaar weer?’
Hij keek nog steeds naar de rokende vrouw. ‘Wat je zei over dichten, wat was dat ook alweer?’
Ik had zoveel over dichten gezegd.
‘Dat je iets pas begrijpt als je er een gedicht over hebt geschreven…’
‘Ja,’ zei ik.
‘Hoe weet je dan dat je gelijk hebt?’
‘Het gaat niet om gelijk hebben, maar om betekenis geven. Voor mezelf.’
Hij knikte langzaam. Eindelijk lieten zijn ogen de rokende nachtwaker los. ‘Ik kom zondag naar je kijken. Vind je dat goed?’
Op weg naar het fietspad passeerde ik de bewaakster. Licht geamuseerd, licht bedreigend keek ze me aan. Haar brandende sigaret priemde als een opgestoken middelvinger in de lucht. Ik probeerde licht geamuseerd en licht bedreigend terug te kijken. Tegelijkertijd dacht ik: die heb ik eerder gezien.
Maar waar?
Ik werd wakker van het trillen van mijn telefoon. Jonas, dacht ik, en een golf zonlicht stroomde vanuit mijn hersenpan mijn lijf in. Maar ik was te laat en het was hem toch niet - kon hem ook niet zijn, want hij had geen telefoon, had hij gezegd.
‘3 oproepen gemist,' stond er in het scherm, van 'Joost P.' Hij had ook een bericht gestuurd, gisteravond al: ‘Ik heb je dichter gevonden. Bel me.’
De telefoon ging weer. Ik drukte Joost weg, pakte mijn schrift en probeerde gisteren in woorden te vangen. Jonas in de lift. Jonas in de Breestraat. Jonas’ lichaam op de mijne. Jonas, zwijgzaam na zijn ontboezeming op het Rapenburg.
Opnieuw mijn telefoon. Dit schoot niet op.
‘Mats - ik heb hem gevonden.’
‘Ik ook.’
‘Hij woont… Wat zeg je?’
‘Ik heb hem ook gevonden.’
‘Waar? Huh? Hoezo?’
‘Gisteravond. Vlak nadat ik bij jou wegging. In de Breestraat. Hij heet Jonas. Hij is superlief.’ Dat laatste schoot er per ongeluk uit, als een ontsnapte zonnestraal.
Het bleef even stil. Zuig daar maar even op, Joost Parmentier.
‘Kut. Jonas, zei je? Dus toch. Heeft hij je ook verteld over Ed van Schie?’
‘Over de flat bedoel je? En dat hij door Van Schie uit huis is geplaatst?’
‘Ja… Nee… Shit. Ik kom wel naar je toe.’
We spraken af aan de waterkant, op dezelfde plek waar ik Joost en Raf een dag eerder was tegengekomen. Ik zette mijn fiets op slot en ging naast hem zitten. Joost reikte me een papieren zak aan. ’Ik heb muffins gehaald, bij het Friese bakkertje. Lekker.’ Zwijgend aten we de muffins. In de tijd dat ik er één at, had hij er drie naar binnen gepropt. ‘Geroeid, vanochtend. Even bijtanken,’ mompelde hij verontschuldigend, voordat hij aan de vierde begon. Een fuut dook onder in de gracht. Ik begon te tellen en probeerde te voorspellen waar hij op zou komen.
‘Oké,’ zei Joost, en veegde zijn mond af. ‘Vertel. Hoe heb je hem gevonden?’
Ik vergat de fuut en schudde mijn hoofd. ‘Hij heeft mij gevonden.’
Ik vertelde hem over gisteren, maar niet dat ik met Jonas gezoend had, en ook niet over Bello en zijn baas.
‘Maar hij zei dus dat ze wraak wilden nemen op Van Schie?’, vroeg hij toen ik klaar was.
‘Nou ja, wraak. Ze wilden hem alleen maar…’
‘En vertelde hij ook waarom?’
‘Dat zei ik toch al - omdat ze door hem uit huis geplaatst zijn. Weggehaald bij hun moeder.’
‘Huh,’ zei Joost en keek naar de fuut, die zonder dat ik het gezien had weer opgekomen was.
Na een tijdje zei hij: ‘Wat ik heb gehoord, is net iets anders.’
Ik leunde achterover in het gras en sloot mijn ogen. In de verte hoorde ik het geknisper van houtwormen, die knaagden aan de spijlen van mijn geluk.
‘Je hebt met hem gezoend, of niet?’
Ik knikte stom.
‘Dan wil je het misschien zelf aan hem vragen.’
‘Nee,’ zei ik. ‘Vertel maar.’
Het had hem eigenlijk niet eens zo veel moeite gekost, vertelde hij. Hij was na ons afscheid naar het flatgebouw gegaan waar Eduard van Schie had gewoond, voordat hij naar Libertas verhuisde. Waar hij moest zijn had Lisa hem verteld, toen ik zo zat te simmen. Daar was hij ene Anja tegen het lijf gelopen, die op drie hoog stond te roken terwijl haar kleinzoon beneden op de parkeerplaats rondjes om een lekke voetbal rende. Anja moest weinig van Joost hebben, vertelde hij, maar hij ontbietste haar een sigaret en keek naar het ventje met zijn lekke bal. Toen liet hij vallen dat zijn broertje autisme had, en wat voor een wissel dat op het gezin had getrokken. (‘Ik wist niet dat je een autistisch broertje had,’ vroeg ik. ‘Heb ik ook niet,’ antwoordde Joost, en ging door met het verhaal, waarin) Anja ontdooide, het ijs brak en de sluizen van de buurtroddel werden opengezet.
Een klein uur later had Anja behalve haar sores, vier sigaretten en twee alcohol-vrije biertjes ook het verhaal van Ed en Jonas met Joost gedeeld. Het was hetzelfde, ongelukkige verhaal dat Jonas mij verteld had, met twee toevoegingen: zijn moeder was verslaafd geweest en financierde haar verslaving door zichzelf te prostitueren, en door het gedoe met de liften was Eduards zus Ellie om het leven gekomen.
Ik liet het even op me inwerken. ‘Dus dat heb je allemaal van Anja in het flatgebouw?’
‘Dat dacht ik ook, dus heb ik vannacht de archieven van het Leidsch Dagblad doorgespit. Over de hoererij van de moeder kon ik niets vinden, maar de dood van Ellie stond gewoon in de krant. Op woensdag 11 november 2015, tussen “Tot 14 jaar cel voor brandbom ‘Polenhuis’” en “Trekkerrijder gaat vrijuit na dodelijk ongeluk”: “Tragisch ongeval door defecte lift”.
‘In het artikel stond weinig over de precieze toedracht. Alleen dat de flatbewoners al eerder bij de beheerder geklaagd hadden over achterstallig onderhoud en het gebrekkige toezicht op de liften. En dat een bewoonster was omgekomen doordat ze in een liftschacht gevallen was, dus.’
‘In een liftschacht gevallen? Dat kan toch helemaal niet?’
‘Er was blijkbaar gekloot met de deuren. Die stonden open, terwijl er geen lift was.’
‘En dat was de schuld van Jonas? Hoe oud was hij toen? Tien? Elf?’
‘Volgens Anja wel, ja. En de schuld van zijn zus, en nog wat andere kinderen in de flat. Er is ook een strafrechtelijk onderzoek ingesteld, maar dat wees niets uit. Maar de uitkomst was wel dat ze uit huis zijn geplaatst.’
‘Jezus,’ zei ik.
‘Zeg dat wel,’ zei Joost. ‘Maar het laat één vraag onbeantwoord.’ Hij stond op en sloeg wat droge grassprieten van zijn billen.
‘Wat dan?’
‘Wat ze precies met Eduard van Schie van plan waren, gisteren.’ Hij stak zijn hand naar me uit en hielp me overeind. ‘Kom. Dan gaan we een kijkje nemen op die verlaten verdieping van je…’
De verdieping lag er net zo bij als de dag ervoor. Verweesd, maakte ik er nu van. Het verhaal van Jonas hield me bezig. Wat was er eigenlijk met zijn moeder gebeurd? Daar had hij niets over gezegd - alleen dat hij nu bij zijn zus woonde. Maar dat hoefde nog niet te betekenen dat…
Een luide knal onderbrak mijn gedachtenstroom. Joost was voor me uitgelopen, naar een houten keet die lukraak was neergezet, midden in de verlaten ruimte. Terwijl ik stond te mijmeren over Jonas en zijn moeder, had hij een houten plaat losgetrokken. Geschrokken keek ik om me heen, bang dat iemand op het lawaai af zou komen, maar behalve wat ronddwarrelende stofdeeltjes verroerde zich niets.
‘Die zat dus los,’ zei Joost, en liep over de omgevallen plaat heen, de keet in. Opeens deinsde hij achteruit. ‘Holy shit!’ Hij gebaarde dat ik moest komen kijken, maar hield zijn arm tussen mij en wat ik moest zien, terwijl hij zich vasthield aan een van de balken waar de plaat aan vast had gezeten.
In de keet was het nog donkerder. Daarom duurde het ook even voordat ik zag wat Joost had doen terugdeinzen. Dat ik probeerde scherp te stellen op de vloer, hielp niet. Het is namelijk moeilijk scherpstellen op iets dat er niet is.
Joost haalde een euro uit zijn portemonnee, hield zijn vuist boven het gat en liet het muntstuk vallen. Hij had één voor één zijn duim, wijsvinger, middelvinger en ringvinger gestrekt voordat vanuit de diepte de inslag in echo’s ingepakt weerklonk. ‘Vier seconden,’ zei hij. ‘Dat is sneller dan met de lift.’
‘Wat is dit?’, fluisterde ik.
‘Een extra liftschacht. Wel gebouwd, maar niet in gebruik genomen. Dat doen ze wel vaker.’
‘Jij studeerde toch rechten?’
‘Hoezo?’
‘Wat weet jij van liften? “Dat doen ze wel vaker.”’
Joost grijnsde naar me. ‘Wist je dat niet? Liever een liftschacht te veel, dan een te weinig, toch? Kom, we zetten die plaat weer rechtop.’
Toen we de plaat teruggezet hadden, inspecteerde Joost met de lamp van zijn telefoon het houtwerk. ‘Kijk, hier is het losgewrikt, en daar. Geen wonder dat die plaat zo makkelijk losliet. Hij zat helemaal niet vast.’
We liepen om de keet heen om te controleren of het hout ook op andere plekken was losgemaakt, maar het zat overal stevig vast. Aan de achterkant van de keet vonden we een plastic tas. Daarin zaten, opgepropt als vieze kleren na de gym, de jurk en hoofddoek die de moslima gisteren in de lift had aangehad. Alleen wist Joost me te vertellen dat die niet ‘jurk’ heetten, maar ‘djilbab’.
‘De vraag is alleen, waarom een vermomming nodig was,’ zei Joost, terwijl we terugliepen naar de lift. De djilbab hadden we, teruggepropt in de tas, achtergelaten op de plek waar we hem gevonden hadden. Ik moest denken aan de bewaakster van gisteravond. Opeens wist ik waar ik haar eerder had gezien. ‘Zijn zus werkt hier. In de bewaking.’
Ik strekte mijn arm uit om het knopje van de lift in te duwen, toen zijn komst door flitsende lampen en een mechanisch belletje werden aangekondigd. Ik verstijfde, maar Joost pakte me bij mijn arm en sleurde me de hoek om, naar de achterkant van de liftschacht. Ik drukte mezelf tegen de wand, sloot mijn ogen en hoopte dat ik de enige was die mijn hart zo hard hoorde bonzen. Hardzolen voetstappen klakten op het beton, de liftdeuren schoven dicht. Toen was het stil. Ik opende mijn ogen en keek vragend naar Joost. Hij legde een vinger op zijn lippen - voor het geval ik van plan was te gaan zingen, denk ik.
In de stilte knisperde een aansteker, gevolgd door de aangezette uitademing van een roker. De voetstappen verwijderden zich in de richting van de keet. Joost keek de hoek om en gebaarde me dat ik hem moest volgen. Voordat ik er erg in had, had hij op de knop van de lift geduwd en schoven de deuren weer voor ons open. Ik wist niet hoe snel ik de lift in moest duiken en had in mijn paniek alle knoppen ingeduwd, als Joost me niet had tegengehouden. In alle rust drukte hij op de knop van de begane grond, kruiste zijn armen over zijn borst en keek onaangedaan voor zich uit de hal in. Pas nadat de deuren zich tergend traag hadden gesloten en de lift zich fluweelzachte door de schacht omlaag bewoog, draaide hij zich met een opgeluchte grijns naar me toe. ‘Spannend, niet?’
Beneden wist ik niet hoe snel ik het gebouw moest verlaten, maar Joost was nog niet uitgespeeld. In plaats van naar buiten voerde hij me langs de receptie, waar hij vertelde over ‘de zeer gevaarlijke situatie op de elfde verdieping’. De vraag wat wij dan wel op de elfde verdieping te zoeken hadden wimpelde hij af met een verwijzing naar een ziek huisdier en de verjaardag van zijn moeder. Tot slot vroeg hij of Marit er was.
‘Marit? Ja, die is er wel - maar volgens mij is ze nu even aan het roken.’
Die nacht werd ik badend in het zweet wakker. Ik had gedroomd dat ik door het ijs was gezakt. Eerst vloog ik er overheen, lachend en vrij. Toen lag ik eronder. Ik wist dat ik droomde, dus bleef ik rustig. Oriënteerde me aan de hand van luchtbellen en licht en zwom naar de oppervlakte, traag zoals dat in dromen gaat. Pas toen ik van onderen tegen het ijs aanbotste en merkte dat ik er niet doorheen kwam, raakte ik in paniek.
Ik was met Joost vertrokken uit het Level-gebouw. Onze ontdekkingen op de elfde verdieping hadden hem een boost gegeven die ik, met het krakende ijs onder mijn voeten, nauwelijks verdragen kon. Joost had het doorgehad en probeerde zijn enthousiasme te temperen. ‘In ieder geval weten we nu wat ze van plan waren…’
Ik had niet geantwoord.
‘De vraag is alleen nog, waarom?’
‘Dat is toch duidelijk?’, was ik boos uitgevallen. ‘Door die Van Schie moesten ze bij hun moeder weg, weg van huis, pleeggezinnen in. Hij heeft hun jeugd afgepakt.’
Maar Joost had zijn hoofd geschud. ‘Nee. Dat denk ik niet. Dat is niet genoeg. Niet voor moord. Er moet meer aan de hand zijn.’
Ik wilde er niet over nadenken. Het enige dat ik zeker wist was dat Jonas geen moordenaar was. Dat mocht niet zo zijn. Ik had Joost gedag gezegd en was naar huis gefietst, de barsten in het ijs vermijdend.
Zondagochtend en nog steeds geen bericht van Jonas. Vanavond was de poetry slam. Weken, maanden had ik hier naartoe geleefd, en nu kon ik alleen maar aan Jonas denken. Waarom belde hij niet? Zou hij er vanavond zijn? Vond hij me nog wel leuk? Hopeloos werd ik ervan. Los van hoop. Een hoopje lost. Ik pakte mijn gedicht erbij - ik moest toch wat. Ik plakte het voorspel van vrijdag ervoor en las het gedicht door. Veranderde de woordvolgorde hier, een frase daar, streepte hele regels door. Voor ik het goed en wel doorhad was ik aan het dichten geslagen. Over Jonas, natuurlijk. Wat anders? Van je af schrijven, noemen ze dat, maar dat klopt niet. Het is andersom: als ik aan het schrijven ben, word ik leeggezogen. Het gedicht is de vampier - ik een zak bloed.
Om half vijf was hij uitgezogen. Ik klapte mijn schrift dicht, trok het tweedehands mantelpak aan dat ik speciaal voor vanavond had gekocht en stapte op de fiets.
Het was al behoorlijk druk bij de Gebroeders Nobel. Raf en Joost stonden samen aan de bar. Ik groette ze van een afstand. Raf stak twee duimen in de lucht, Joost keek vragend de zaal rond en toen naar mij. Nee Joost, dacht ik, ik heb Jonas niet gezien. Waar bemoei je je mee, trouwens?
Op het podium stond een microfoonstandaard, omringd door een halve cirkel van tien stoelen. Ze waren nog leeg, dus koos ik de stoel die het dichtst bij de coulissen stond, en het verst van het licht van de podiumlampen. Ik ging zitten en scande de zaal.
Langzaam vulden de andere stoelen zich met mijn medefinalisten. De meesten kende ik van eerdere avonden, de rest van YouTube. Afwisselend studeerde ik op de nieuwe coupletten, geluidloos voor me uit prevelend in de hoop straks niet over mijn eigen woorden te struikelen, en tuurde ik de zaal in, op zoek naar Jonas. Maar tegen de tijd dat ik aan de beurt was, na de hysterische intro van de host en de gedichten van mijn medefinalisten, die allemaal beter en trefzekerder klonken dan ik ooit kon zijn, was hij nog steeds nergens te bekennen.
Uit de zaal klonk gejuich op. Mijn buurvrouw stootte me aan - het was mijn beurt.
Gegrinnik als ik naar de microfoonstandaard loop, die boven me uit torent. Ik zet hem lager en kijk de zaal in. Geen Jonas. Hier gaan we dan.
Kom dool met mij…
Dan ram ik mijn rijm als een pik in je bek
Je zuigt, je likt verschrikt, je raakt verstrikt
In mijn woordenstroom.
Als ik klaarkom
Mijn gedachten op je kin
Kruipt een oorwurm je hersenpan in
Gedacht, gedicht, op je gezicht gericht
Zo doe ik dat -
Het gaat om de woorden, schat.
Sorry - was dat te snel?
Had ik mijn hoogtepunt uit moeten stellen?
Moet ik het nog een keer voor je uitspellen?
Jouw knikkers, mijn spel.
Welkom in mijn dolhuis…
Welkom in het labyrint der leefblinden
Waar hoog-geletterden op krukken van stront
Vanachter hoge hekken monsters bezweren
Zich zonder rust of lang gepraat committeren
Aan een des duivels ingefluisterd verbond
Om met woorden hun wezen te verbinden.
Let wel, ’t is er niet pluis.
Want als woorden jouw worden zijn
En al je zijn in zinnen zit
Als je wat van binnen zit
pas bezit als het in zinnen is gezet
Dan heb je als kind waarschijnlijk te veel gelezen.
Ja, lach maar - dat mag,
Het was ook een grapje voor de leuk
En voor wie graag wil laten zien
dat hij het tot dusver volgen kan.
Maar het was ook een grapje
Voor de breuk.
Is dit wat dichten is?
Een beetje teasen, een beetje pleasen
Stramelend op een podium staan?
Met een strop om je nek,
stroop leren smeren,
Met stroop in je bek,
je publiek leren slaan?
Of is dichten
het gat in jezelf dichten, met wat was
en wat zou kunnen zijn?
Het wak in het ijs dichten, voor je er
voor goed in verdwijnt?
We praatten de straten van de kaart
En wonden woorden om elkaars harten
Ik dacht we vervolmaken elkaar.
Maar de muse speelde ons parten
Want hoe vurig we m’kaar ook kusten
Ik bleef de nacht verbarden…
Word je geil van een dichter: snel blussen
Dus - tenzij je zin hebt in een trio
Want de duivel ligt er altijd tussen.
Je denkt: de pijl die komt van Cupido
Maar zij verwart hem met de muse
En de muse wordt jouw Waterloo.
(Dit dan te moeten dichten in terzinen
Je zou het zelf niet verzinnen…
Of is dit een allusie te veel?)
Laatst zakte een dichter door het ijs.
Het was voorjaar, de zon scheen, alles was perfect.
Ze lag onder het ijs en keek omhoog.
Iedereen leefde (iedereen was droog).
Maar zij kreeg het koud en wist: ik ga dood.
Nu heb ik het ijs van beide kanten gezien, dacht ze nog,
en: wat een mooie metafoor.
Toen dacht ze niets meer.
Liefste, het is niet jouw schuld
Ik heb mezelf dit wak ingeluld
Mijn vingers om je lul gekruld
En de jouwe in mij toegelaten
Mezelf in jou verlaten ook al
Wist ik dat jij me verlaten zou
Was alles wat ik wilde, nee mijn
Liefste, het is niet jouw schuld:
Ik ben een vervolmakelaar in woorden
En nu ben ik uitgeluld.
Het ging wonderwel goed, al moest ik de laatste paar coupletten deels oplezen. Om te compenseren keek ik tussendoor de zaal in, en zo zag ik, vlak voor het laatste couplet, Jonas bij de uitgang staan. Ik haperde, heel even maar, maar maakte het strak af, zei ‘dankjewel’ en stapte de coulissen in. Uit de zaal steeg eerst gelach en daarna gejuich op. Ik registreerde het nauwelijks, want ik was op weg naar Jonas.
Ik moest me een weg door de meute heen banen. Iedereen leek erop gebrand me tegen te houden. Willekeurige mensen feliciteerden me, sloegen me op mijn rug of reikten me iets te drinken aan. Eindelijk zag ik Jonas. Het was hem echt. Hij had zelfs dezelfde kleren aan als vrijdag, dezelfde kwetsbaar-maar-strijdbare John Keats emo-look.
Onze ogen vonden elkaar. Hij zei iets, maar ik was nog te ver weg en kon hem onmogelijk verstaan. Daarna draaide hij zich om en liep naar buiten. Ik rende achter hem aan, maar werd van achteren in een borstelige omhelzing opgetild. ‘Je was fantastisch! You killed it!’
Voor eens was ik niet blij Raf te zien. ‘Shit Raf, sorry, ik moet gaan.’
Beteuterd keek hij me aan. ‘Jij ook al?’
Even later stond ik buiten, maar de steeg was verlaten.
‘Dat was hem, of niet?
Niet helemaal verlaten, dus. Achter me leunde Joost tegen de muur naast de ingang. ‘Mooi gedicht, trouwens.’
‘Dank je. Waar ging hij heen?’
Joost wees in de richting van de Lange Gracht. ‘Daar linksaf.’
De halve stad lag die kant op. Maar ook het Level-gebouw.
In de lift had ik plotseling de hoop dat zich het afgelopen etmaal op de elfde verdieping een transformatie had voorgedaan; dat dadelijk, als de liftdeuren opengingen, zou blijken dat aan de betonnen waste lands een kantoortuin was ontsproten; dat de hele vermaledijde verdieping met liftschacht en al verdwenen zou zijn. Ik stelde me voor hoe in het vernevelde licht van oneindig dimbare led-lampen leliewitte bureaubladen zich ondiep geworteld hadden in stikstofrijk tapijt, hoe bonzaibomen uitgegroeid waren tot bureaustoelen, uit archiefkast en afzetwand borders waren ontstaan… En riep mezelf tot de orde: genoeg gedicht voor vandaag.
Mijn hoop was vergeefs; de ruimte lag er onveranderd bij - zij het dat, de liftdeuren eenmaal achter ons gesloten, het nog donkerder was dan voorheen. Op goed geluk liep ik in de vermoede richting van de spook-liftschacht. Achter me knipte Joost de lamp van zijn telefoon aan, waardoor mijn schaduw grillig voor me uit over de betonnen vloer danste.
Voor ons klonk in het donker een luide knal. Ik versnelde mijn pas, want ik had dat geluid eerder gehoord; gisteren, toen Joost de loszittende plaat had losgetrokken. ‘Jonas?’, vroeg ik, maar uit het duister kwam geen antwoord, alleen het geschuifel van voetstappen, toen niets meer.
Plotseling doemde de liftkoker op. De houten plaat die Joost gisteren provisorisch had vastgemaakt lag ervoor, plat op de grond. In mijn hoofd vormde zich een gedachte, maar in plaats van neer te slaan bleef ze loom rondjes om haar as draaien, terwijl mijn schaduw, vaster omlijnd nu Joosts lichtbundel niet meer heen en weer zwalkte door de ruimte, langzaam maar onomkeerbaar als water in de bovenloop van een waterval, naar de rand van de verlaten liftkoker werd getrokken, eroverheen, de diepte in.
Het scheelde weinig of ik was mijn schaduw achterna gegaan, maar Joost trok me op het laatste moment aan mijn arm terug. Misschien riep hij daarbij mijn naam - anders was het niet zijn stem die de galm in mijn hoofd veroorzaakte, maar de plotselinge leegte, nu ik wist dat ik te laat was.
Ik zakte door mijn knieën en liet me door Joost van het gat vandaan trekken. ‘Jonas?’, vroeg ik opnieuw, maar zonder overtuiging. Beelden van de afgelopen dagen flitsten voorbij; zijn rouwsluier haar, zijn glimlach waar de zon nooit in doorbrak, zijn open ogen terwijl we elkaar bij middernacht onder de Pieterskerktoren zoenden, hoopvol, vragend, verlangend, smekend.
Achter ons knisperde een aansteker. Haar stem was hoger dan ik had verwacht, maar ze sprak haar woorden zorgvuldig uit: ‘Als Jonas door jou iets stoms heeft gedaan, ruk ik je kop van je romp en neuk ik je in je nek.’
‘Goeie tekst,’ fluisterde Joost, maar ik had geen tijd om me aan hem te ergeren, want van achter de omtimmering verscheen zwart op zwart het silhouet van mijn woordenloze dichter. ‘Dat is niet nodig, zus…’
De opluchting die door me heen suisde bij het horen van zijn stem tilde me zowat op van de vloer, maar toen hij verder sprak wilde ik er het liefst doorheen zakken: ‘Blijkbaar is het makkelijker een ander te doden, dan jezelf, zus.'
Toen Marit weer sprak, was in haar boosheid ook opluchting te horen: ‘Godverdomme, Jonas. Ik dacht dat je…’ Ze stopte ze met praten toen haar stem brak.
‘Dat was ook de bedoeling,’ antwoordde Jonas stil. ‘We hebben er een potje van gemaakt, zus.’
‘Maar waarom…? Hoezo? Waarom zou je…?’ Ze kwam er niet uit, maar haar stem won weer aan kracht. Tot slot beet ze hem toe: ‘Komt het door haar?’
‘Nee. Ja. Niet door haar. Door iets wat ze zei, vrijdagnacht.'
Ik voelde hoe hij zich in het donker naar mij keerde. ‘Je vroeg of ik een dichter was, Mats. Ik zei van niet. Wist ik veel wat een dichter was. Maar ik heb erover nagedacht. Misschien ben ik het toch. We hebben er in ieder geval een mooi verhaal van gemaakt, mijn zus en ik…'
Hij wendde zich weer tot Marit. ‘Er was nog iets wat ze vertelde...
‘We dachten altijd dat hij het gedaan had. Eduard. Dat die ouwe de liftdeuren had gesaboteerd, om ons erbij te lappen, en dat tante Ellie toen… Maar vrijdag hoorde ik van Mats hoe hij verlamd is geraakt. Hoe het is gebeurd. Toen hij nog maar een jongetje was. Maar dat hij dus echt verlamd was, zus.'
‘Wat maakt het uit, of hij verlamd was, of niet? Het komt toch door hem dat Ellie in die liftschacht...'
Jonas onderbrak haar. ‘Snap je het dan niet? Als hij echt verlamd was, kan hij dat nooit gedaan hebben, zus. Hij kon niet eens zijn benen optillen, laat staan uit zijn stoel opstaan. En als hij het niet gedaan heeft...’
’Nee, Jonas…’
‘Jawel… Gek eigenlijk, hoe je dingen onthoudt of vergeet… Hoe Ellie eruit zag, weet ik nog precies, en de geur van mama’s sigaretten. Maar die liftmonteur, die was ik vergeten. Tot gisterochtend, tenminste. Toen kwam het allemaal terug. Die sleutel die hij had, om de liftdeuren mee te ontgrendelen… En hoe wij die sleutel later uit zijn tas hebben gejat… En dat we Daantje Korevaar op mijn schouders zetten zodat hij bij het slot kon - Daantje Korevaar die alles deed wat je hem vroeg - en dat Daantje die liftdeur toen van het slot heeft gehaald.’
Even bleef het stil. Toen Marit de stilte doorbrak, klonk haar stem weer zeker: ‘Ja, Jonas, en toen zijn we zo geschrokken dat we de liftdeuren meteen weer dicht hebben gedaan. Maar Eduard van Schie heeft ze weer opengedaan. Om ons te verneuken. Net zoals hij ons verneukt heeft met dat geld.’
‘Dat is wat je me altijd verteld hebt, zus. Maar nu weet ik dat dus niet meer zo zeker.’
Weer kwaad: ‘Godverdomme, Jonas. Ik was er zelf toch zeker bij… Hoe vaak moet ik het nog zeggen: jij hebt Ellie niet vermoord. Dat heeft Eduard van Schie gedaan.’
‘Maar hoe dan?’, schreeuwde Jonas opeens. Zijn stem sloeg ervan over. ‘Als hij niet kon staan, dan kon hij toch nooit bij dat noodslot komen? Wij hadden die sleutel toch? Dan hebben wij het toch gedaan?’
Net zo snel kalmeerde hij weer. ‘Ik heb het altijd zo graag willen geloven, zus, maar ik kan het niet meer. Ik geloof het niet meer. Door mij is Ellie doodgegaan, en daardoor mama. En als Mats vrijdag niet bij ons in de lift had gestaan, hadden we die demente zak zo deze liftschacht ingerold. Alleen omdat we onszelf hadden wijsgemaakt dat hij het verdiende. Maar hij verdiende het niet, zus. Wij verdienden het.’
‘Hou op, Jonas. Je stelt je aan. Hou daarmee op. Je weet niet wat je zegt. Het was wel die ouwe. Als hij ons niet verlinkt had, dan was er niets aan de hand geweest, dan was niemand doodgegaan. Ellie niet, mama niet...’
Even was Jonas stil. Toen vroeg hij: ‘Verlinkt? Hoezo, verlinkt?’
Het was niet Marit, maar Joost die antwoord gaf: ‘Toen jij dat geld van Ellie had gestolen. Of niet, Marit?’
‘Ze reageerde als gestoken: 'Wat weet jij daarvan?' Bemoei je er niet mee!’
Nu was het Jonas die onzeker klonk. Hij deed een stap in haar richting en vroeg: ‘Is dat waar? Hebben wij dat geld gestolen? Ik dacht altijd…’
Marit zweeg. Ze slaakte een zucht, en daarna nog een. Toen ze opnieuw sprak was haar stem klein geworden. Jong ook, alsof ze weer dat meisje was. ‘Ja. Ik heb dat geld gestolen. Voor mama. Ik dacht…’
‘Dat ze dan niet meer de hoer hoefde te spelen? Ach, zus. Daar konden wij toch niets aan veranderen.’ Ook Jonas’ stem klonk anders. Opgelucht, haast. Ik begreep er niets van.
Jonas liep naar Marit en sloeg zijn armen om haar heen. ‘Godverdomme, zus. Als ik dat geweten had. Waarom heb je me het nooit verteld?’
Stil begon ze te huilen. ‘Ik wilde niet dat je dacht dat het jouw schuld was. Het was mijn schuld, maar dat durfde ik je niet te vertellen. Ik moest je beschermen. Ik wilde je niet kwijt. Daarom. En ik haatte die man…’
‘Maar het was jouw schuld ook niet. Je was maar een kind. We waren maar kinderen.’
Joost pakte me bij de arm en fluisterde: ‘Kom.’ Samen tilden we de plaat van de grond en zetten hem weer op zijn plek. Toen we even later stonden te wachten tot de liftdeuren zich hadden gesloten, stonden ze daar nog steeds. In de omgekeerde spotlight die vanuit de lift op hen viel waren ze nauwelijks zichtbaar.
Beneden ging mijn telefoon. Het was Raf, die vertelde dat ik de publieksprijs van de poetry slam had gewonnen. Toen ik had opgehangen, zag ik een bericht van mijn vader, dat hij zo trots op me was. Ik wist niet eens dat hij was komen kijken.
Die prijs kon me gestolen worden. Hulpeloos keek ik Joost aan.
‘Kom,' zei hij. 'We gaan je prijs ophalen.’
En dat hebben we gedaan.