Kerstmist

Dit verhaal speelt zich af
op: 24 december 2024

Ik adem in, ik adem uit. Voorzichtig, door mijn neus, als een dief in de nacht in een donker huis, zonder iets te beroeren, want de kriebel die ik voel mag geen nies worden, niet met dit masker op mijn gezicht, met mijn hoofd vastgespijkerd aan dit aanbeeld, terwijl de protonen geruisloos door mijn schedel worden geschoten, onzichtbaar en onhoorbaar als de kanker die mijn kop in is geslopen terwijl ik bezig was met andere dingen. Kanker is what happens when you’re busy making other plans, hè Sjon? Stel je voor.

Om rustig te blijven laat ik de gezichten van de mensen die ik heb vermoord aan me voorbijtrekken. De eerste, numero uno, in een opwelling, nadat hij mijn lievelingshond één keer te vaak had geschopt. De tweede en derde, uit zelfverdediging, al lagen ze allebei te slapen toen het vuur dat ik had aangestoken mijn ouderlijk huis in de as legde. De vierde, de eerste waar ik voor betaald werd, wat ik vierde met de vijfde, die me betaald had. Met die aanbeveling overgestapt naar de concurrent, waar eindelijk serieus werk werd gemaakt van mijn talenten. Cursussen en stages volgden, en nummers zes tot en met 14, die het allemaal verdienden. Goed betaalde klussen allemaal, maar inmiddels had ik naam gemaakt, en werd ik zelf doelwit. Dat waren nummers 15, 16 en 17, die me dus veel kostten maar niets opleverden. Nummer 18 ging bijna mis. Achteraf weet ik: de tumor speelde me toen al parten, maar pas na nummers 19 en 20 (twee voor de prijs van één), die ook niet de schoonheidsprijs verdienden dacht ik: misschien moet ik eens naar de huisarts. Die stuurde me direct door naar het LUMC en twee weken later lag de diagnose voor me klaar: kanker, ouwe, en veel succes ermee.

En nu dus de behandeling. Top of the line radiotherapie, 37 keer achter mekaar, come hell or highwater, en ook voor Kerst krijg je geen dagje vrij. Oftewel: de trekker is overgehaald, de kogel heeft de loop verlaten, in naam der wetenschap en ‘je moet toch wat?’ dansen we nog even de pollonaise met je, maar ja gaat er wel aan, ouwe.

Dus lig ik hier en tel de gezichten van de mensen die ik heb omgelegd. Ze verdienden het stuk voor stuk.

Als ik de wachtruimte inloop is de professor in alle staten. ‘De professor’, zo noem ik ‘m. Hij werkt hier niet, als je dat misschien dacht, maar is net als ik patiënt. Hij heeft de kanker aan zijn slokdarm. Kwam erachter doordat hij kramp kreeg tijdens het eten. Alsof je kramp hebt in je kuit, maar dan in je slokdarm, net terwijl je iets probeert door te slikken. Het duurde 24 uur voordat ze er iets aan konden doen, en als toetje kreeg hij te horen dat hij kanker had. En nu je tanden poetsen en naar bed, maar niet voordat je 37 keer bestraald wordt, dank u vriendelijk, en doe de lichten uit voor je vertrekt.

De professor is dus in alle staten, want hij heeft een aansluitende afspraak in het LUMC en zijn taxi is nergens te bekennen. Ik moet ook naar Leiden, dus zeg ik dat hij met mij mee kan rijden. Ik zie ‘m twijfelen - misschien komt dat door mijn tatoeages. Ik geef toe, achteraf waren die misschien niet zo’n goed idee, zeker in mijn beroep, maar als je jong bent denk je soms dat je dat soort dingen nodig hebt om serieus genomen te worden. Tegenwoordig heeft elke registeraccountant bad motherfucker op zijn voorhoofd getatoeëerd, maar dat kon ik toen nog niet weten.

Even later zitten we bij Joost P. in de taxi. Joost studeerde ooit rechten, en kluste bij als taxichauffeur. Nu studeert hij geen rechten meer, maar zit hij nog wel op de taxi. Hij komt altijd op tijd en stelt geen domme vragen, maar ondertussen is er weinig wat hij mist. Volgens mij weet hij ook precies wie ik ben en wat ik doe, maar zoals ik al zei, hij stelt geen domme vragen.

Ik zie ‘m twijfelen - misschien komt dat door mijn tatoeages. Ik geef toe, achteraf waren die misschien niet zo’n goed idee, zeker in mijn beroep, maar als je jong bent denk je soms dat je dat soort dingen nodig hebt om serieus genomen te worden. Tegenwoordig heeft elke registeraccountant bad motherfucker op zijn voorhoofd getatoeëerd, maar dat kon ik toen nog niet weten.


Ik laat de professor voorin instappen en ga zelf op de achterbank zitten.
‘Werken met kerstmis,’ zegt de professor als we het terrein afdraaien.
‘Yep,’ antwoordt Joost.
De professor frunnikt aan zijn broek. ‘Fijn dat ik mee kan rijden.’
Ik zeg niets.
‘Ik kon nog net terecht in het LUMC voor de chemo, voordat ze vanavond allemaal naar huis gaan.’
Ik zeg nog steeds niets. Joost voegt in op de snelweg en zegt: ‘Dat is pittig, chemo op kerstavond.’
De professor lacht - kort en hoog. ‘Ach, Kerst. Dat is ook maar een aan anachronisme. Een coping mechanisme van primitieve mensen, om hun angst voor de leegheid van het bestaan te bezweren. Ik houd me bezig met quantumfysica. Dan heeft het leven geen geheimen meer voor je, en boezemt de dood je geen angst meer in.’
‘Maar wel radiotherapie en chemo,’ zegt Joost.
De professor knikt. ‘Ja. Ik moet nog wat artikelen afronden. We zitten zó dicht bij een nieuwe ontdekking. Die wil ik nog meemaken.’ Hij houdt zijn duim en wijsvinger vlak bij elkaar om te laten zien hoe dichtbij ze er zitten.
‘Geen gezin, dus?’, vraagt Joost.
Weer die lach. ‘Nee, geen gezin.’
Het gezin is een anachronisme, denk ik, een coping mechanisme voor bange mensen, etcetera. Maar de professor zegt: ‘Ik zou wel willen, maar ik ben nou eenmaal beter in quantumfysica, haha.’
Niemand zegt iets. We rijden onder het Prins Clausplein door.
‘Dit zijn net interferentiepatronen,’ zegt de professor, wijzend naar de viaducten boven ons.
‘Leg uit,’ zegt Joost.
‘Nou,’ zegt de professor, en begint te praten over kwantumgolven, complexiteit, superposities, doortunneling, en zo meer. Terwijl hij doorpraat doe ik mijn ogen dicht en denk aan het wegwerken van lijken.

Ik herken het wel, die behoefte om te praten als je nerveus bent. Ik heb mensen omgelegd die tot het laatste moment doorpraatten. Ik liet ze ook altijd hun zin afmaken. Dat is het minste wat je kan doen, toch? Toch de laatste zin van hun leven. Maar zoals de professor kan lullen, daar kan een Poolse straatwerker nog een puntje aan zuigen. Je zou bijna denken dat hij ergens bang voor was, al zijn quantummechanische babbelarij ten spijt. Maar wat weet ik er eigenlijk van? Ik heb de dood ook maar 20 keer in de ogen gekeken, niet waar. 21, als ik de huidige situatie meereken.

Toen we de professor op het LUMC hadden afgezet, vroeg ik: ‘En jij, Joost? Wacht op jou nog iemand, op Kerstavond?’
Joost schudde zijn hoofd en wees naar de tikker van zijn taxi. ‘Voor mij niets dan de tikker, vanavond, chef. Iemand moet ervoor zorgen dat iedereen veilig thuiskomt.’
Ik knikte. ‘Dan mag je mij vanavond helpen, met de professor, oké? Ik betaal je wel, maar meer ritten zitten er dan niet in. Wat zeg je?’
Joost keek me uitdrukkingsloos aan in de achteruitkijkspiegel en zei: ‘Ik denk dat de professor op de rand van een existentiële afgrond balanceert, waar hij met al zijn quantumfysische kennis het bestaan niet van bevroedt.’
‘Jij begint al net zo slap te lullen als hij,’ zei ik. ‘Praat eens normaal, man.’
Joost knikte. ‘Het antwoord is ja, chef. Laten we de professor een mooie kerstavond geven. Misschien is het wel zijn laatste.’
Hij wenkte zijn hoofd kort opzij. ‘Misschien ook wel jouw laatste. Misschien wel het mijne. Wie zal het zeggen? Merry f-ing christmas, ouwe.’

Een klein uur later liep de professor het LUMC uit. Joost en ik waren terug op de taxistandplaats, met een achterbak gevuld met kerst. De professor liep ons bijna voorbij, in zichzelf pratend en kleine, precieze gebaartjes makend met zijn handen. Toen ik hem aansprak en wees op de wachtende taxi, leek hij me nauwelijks te herkennen, maar hij stapte in, en vroeg niet waar we heen gingen.

De avond was gevallen. De straatlantarens op het Rapenburg lichtten op als de koplampen van Franse auto’s in de mist. We parkeerden in de Zonstraat, bij het oude politiekantoor achter de rechtenfaculeit. Joosts idee. Hij had nog een pasje, zei hij, en ik vroeg er verder niet naar. Ook ik stel geen domme vragen.

Dat pasje gaf ons toegang tot de fietsenkelder van de rechtenfaculteit, en via de fietsenkelder liepen we zo het gebouw in. Joost ging voorop, met een kleine, met ledlampjes versierde kerstboom in de armen. Daarna kwam de onafgebroken mompelende professor, en achteraan liep ik, sjouwend met mijn krat vol kerstmis, net Maria met het kindeke jezus, als Maria tenminste een terminale huurmoordenaar was en het kindeke jezus een Albert Heijn krat vol zuivelproducten. Want harder dan dat kregen de professor en ik niet door onze keel, wat met al die protonenbommen die de afgelopen weken op ons mond en slokdarmstelsel waren afgevuurd.

Joost Parmentier

De wereld is een raadselachtige plek, die voortdurend lastige vragen oproept. Wat was er voor de big bang? Is morele vooruitgang mogelijk? Overleeft de aarde de mensheid? Joost Parmentier, detective tegen wil en dank, heeft moeite met dit soort grote vragen. Daarom concentreert hij zich liever op het kleine: hoe ver ga ik vandaag hardlopen, […]

Joost leek zich geen zorgen te maken over bewaking. ‘Dit is een universiteitsgebouw, geen Fort Knox,’ zei hij. Maar eenmaal aangekomen in onze herberg voor de komende nacht, trok hij wel de gordijnen dicht, voor hij de lampen aandeed. We stonden in een collegezaal, met rechts van ons steiloplopende rijen met houten klapstoeltjes en links een breed podium voor een white board, met een katheder dat zo breed was als het hele podium. Joost plaatste het kerstboompje rechts op het katheder en zocht een stopcontact voor de ledlampjes.
‘Kijk, professor,’ zei hij. ‘De Einsteinzaal. Dat leek me toepasselijk.’

Joost verdween het gebouw in, op zoek naar weet ik wat. Ik stalde de zuivel uit, stak meegenomen kaarsen aan en dimde de lampen in de zaal, zodat alleen het podium verlicht bleef. Ondertussen had de professor het podium al beklommen, waar hij heen en weer liep achter het brede katheder. Langzaam nam zijn gemompel in kracht en volume toe en veranderden zijn handbewegingen in armgebaren. Toen Joost vijf minuten later terugkeerde met drie comfortabele stoelen op een duwkar, had de professor ook het whiteboard ontdekt, waarop hij nu formules en tabellen afschoot als kogels uit een mitrailleur.

Ik pakte een fles advocaat en een pak vla en maakte het mezelf gemakkelijk in een van de stoelen. Joost was solidair, zag ik, en deed zich ook tegoed aan dit junken-kerstdiner, maar de professor nam niets. Hij had geen tijd om te eten, hooguit voor een slok water tussen de woordenstroom door, om dan als een bezetene door te praten over kwamtumparadoxen, Schrödinger’s kattenbak en oneindig mogelijke werelden. Ik begreep er niets van, maar hij leek er goed op te gaan. Het duurde niet lang voor ik in slaap was gevallen.

De volgende ochtend word ik wakker van het geluid van een opengaande deur. Naast me ligt de professor te slapen in een geïmproviseerd bed van aan elkaar gelegde matraskussens en een gordijn. Joosts stoel is leeg, maar van buiten de collegezaal hoor ik het geluid van een koffieautomaat, en even later komt Joost binnen met twee koppen koffie. ‘Laat de prof maar even doorslapen,’ zegt hij. ‘Het was een latertje, vannacht.’

Ik open de gordijnen en bekijk in het bleke ochtendlicht het bord. Rijen nauwelijks leesbare formules, de uitkomsten omcirkeld en met pijlen verbonden aan nieuwe reeksen cijfers en letters en symbolen, vullen het hele bord en lopen zelfs over op de muren eromheen. Alleen middenop het bord is een wit vlak uitgeveegd. In kapitale letters staan daar vijf woorden opgeschreven: alle mogelijkheden zijn ergens waar.

Een paar uur later lig ik weer op mijn vertrouwde plek, met het masker strak over mijn kop getrokken zodat ik niet kan bewegen en nauwelijks kan ademen, te wachten op de piepjes die de onzichtbare, onhoorbare en onvoelbare komst van de protonen aankondigen. Weer een onbevlekte ontvangenis die verlossing belooft, maar een ravage aanricht, denk ik.

De tafel is in positie gebracht, rechts van mij klinkt een piepje. De vertrouwde gezichten beginnen aan me voorbij te trekken. De eerste, numero uno. Daarna twee en drie, uit zelfverdediging. Nummers vier en vijf… Mijn ademhaling wordt rustiger, mijn hartslag vertraagt. Ik voel het bewegen van de behandeltafel, hoor uit de verte piepjes klinken, maar ik ben veilig achter mijn masker. De gezichten trekken aan me voorbij. Zes, zeven, verlieten het leven. Acht had het niet verwacht. Negen en tien hadden het ook verdiend. En dan verschijnt er een nieuw gezicht. Een vrouwengezicht, geloof ik, maar het lijkt wel licht te geven - zo veel dat ik er nauwelijks naar kan kijken. Het is een onbekend gezicht, en tegelijkertijd vertrouwd. Mijn moeder kan het niet zijn, want dat was nummer drie. Maar het voelt wel als een moeder, tenminste zoals een moeder zou moeten voelen, eentje die je optilt uit bed en dan nog warmer en zachter blijkt te zijn, en tegelijkertijd als een vader, die je optilt en in de lucht gooit, alsof je kan vliegen, en je dan weer opvangt en zijn armen om je heen slaat, met schuurpapier op zijn wangen en de geur van machine-olie en houtsnippers om hem heen.

Wie is deze vrouw, of man, die mijn mantra verstoord? Ik probeer haar weg te duwen, probeer nummer elf voor de geest te roepen, maar ze laat zich niet wegduwen, wordt alleen maar groter, komt steeds dichterbij, totdat ik haar licht door mijn huid heen voel branden en haar warmte alle gedachten uit mijn hoofd verdrijft.

Als ik mijn ogen open, zijn ze al bezig het masker los te maken. ‘Zo,’ zegt de radiologielaborante. ‘Dat hebben we weer gehad.’
Ik knipper met mijn ogen en rek me uit voordat ik mijn benen over de rand van de behandeltafel sla. Nog een beetje slaapdronken loop ik op mijn blote voeten naar het verkleedhokje, maar loop direct weer terug om te kijken of ik wel het goeie hokje heb. De laborante, die met me mee is gelopen, kijkt me vragend aan. Ik doe de deur van het andere kleedhokje open, maar die is helemaal leeg. Verward schud ik mijn hoofd. De laborante lacht. ‘Dat cadeautje hebben wij neergelegd - dat doen we altijd met Kerst.’ Ik kijk nog een keer in het hokje en zie naast het stapeltje mij totaal onbekende kleren inderdaad een kerstcadeau liggen.

Ik trek de kleren aan, die goed blijken te passen. Sterker nog, ze zijn naar mijn lichaam gevormd, alsof ik ze al jaren draag. En ze ruiken ook vertrouwd. Als ik me omdraai om mijn ziekenhuispyjama in de daarvoor bestemde mand te gooien, zie ik dat ik niet alleen ben in het pashokje. Een man van mijn eigen leeftijd staat tegenover me. Hij kijkt me gechrokken aan en deinst achteruit, maar tegelijkertijd komen zijn armen met gebalde vuisten omhoog - maar ik ben net zo snel, zo niet sneller. Ik sla hem in zijn gezicht - hard, doelgericht, op zijn kaak, om hem in één klap uit te schakelen. Een pijnscheut trekt van mijn hand mijn onderarm in, en zijn gezicht valt uiteen in de scherven van de spiegel die ik net aan stukken heb geslagen. Terwijl ik mijn gekneusde vuist tegen mijn lippen aan duw, traceer ik met de vingers van mijn goede hand in de overgebleven scherven van de spiegel mijn eigen spiegelbeeld.

Met het onuitgepakte cadeau in de hand loop ik naar de wachtruimte. Als ik me afmeld bij de receptie zie ik de professor door de gang erachter lopen, waar de bespreekkamers zitten. Hij staat op het punt om een van de kamers in te lopen, maar als ik naar hem zwaai, zwaait hij terug en komt naar me toe. ‘Gaat de behandeling goed?’, vraagt hij. Het valt me nu pas op dat hij een doktersjas aan heeft, en niet zijn normale kloffie.
Ik knik.
‘Mooi. Het zal wel pijn doen, nu, tegen het einde. Maar dat trekt snel weg, en je tussentijdse scan ziet er heel goed uit. Volgend jaar zal je er met de Kerst heel anders bijzitten, haha.’
‘Vrolijk kerstfeest,’ mompel ik, maar hij is al weer vertrokken, terug de gang in. De receptioniste kijkt hem na. ‘Niet echt een mensenmens, maar een geniale dokter. Zonder hem had deze hele kliniek niet bestaan.’ Ze lacht verontschuldigend. ‘Je taxi is er al, trouwens.’

Even later zit ik voorin de taxi van Joost P. Als we het terrein afdraaien kijk ik terug naar de kliniek. Quantumtherapeutisch Centrum Holland, zie ik op de gevel staan.
‘Het zal nog rustig zijn op de weg,’ zegt Joost. ‘Als ik doorrij, ben je op tijd voor je kerstlunch. Die begon om één uur, toch?’

Even weet ik niet waar hij het over heeft. Maar dan zie ik het huis voor me, een heel normaal huis in een heel normale straat, maar wel een bijzonder huis, want mijn huis - ons huis, zie ik nu - want ervoor zie ik de vrouw staan die me vanochtend uitzwaaide, toen Joost me ophaalde om me naar de zevende van mijn 14 quantumbestralingen te rijden. Een heel normale vrouw, zoals er miljoenen zijn, maar wel een hele bijzondere, want mijn vrouw. En daarna volgde een cascade aan gezichten. Van onze kinderen, meisje-jongen-meisje, en mijn ouders, die, wist ik, ook bij de kerstlunch zouden zijn, net zoals de ouders van mijn vrouw, iedereen opgewekt en bezorgd en breekbaar maar sterk. En nog meer gezichten, van mijn vrienden en uit het oog verloren vrienden en vergeten vrienden, en vriendinnen en ex-vriendinnen, en ex-vergeefs-geprobeerde vriendinnen. Een heel leven aan gezichten, en ieder gezicht net zo echt als de gezichten die ik de afgelopen weken van achter mijn masker voorbij had zien komen, maar die nu plotseling iets uit een ander leven leken te zijn, een herinnering aan een droom tijdens een rusteloze nacht tijdens een tegenvallende vakantie, lang geleden.

‘Wat heb je daar?’, vroeg Joost.
‘Goeie vraag,’ zei ik, en pakte het cadeautje uit.