Rammy's Laatste Kerst

Dit verhaal speelt zich af
op: 24 december 2023

Het geschiedde in die dagen dat ik een baantje had gevonden als verzorger van een oude dame. Ze woonde aan het Rapenburg in een huis dat veel weg had van haar hoofd; vol beelden en herinneringen die ooit een coherent geheel zullen hebben gevormd, maar nu, achtergelaten in de tijd en ontdaan van hun context, alle samenhang en betekenis hadden verloren. Zij was, wat heet, dementerende. Losgezongen van haar verleden. Ooit was ze een groot zangeres geweest. Een diva, zelfs, als ik alle foto’s en ingelijste covers van tijdschriften moest geloven. En nu woonde ze daar geheel alleen op het Rapenburg, verstoken van alle aandacht, met niet eens haar herinneringen als troost.

Veel compassie voor haar kon ik niet opbrengen, want ze was een kreng. Een vriend van me filosofeerde eens dat mensen naarmate ze ouder worden steeds meer hun echte karakter tonen. Omdat ze niets meer hoeven te bereiken kunnen ze gewoon zichzelf zijn, was de gedachte, of omdat ze te weinig energie hebben om te veinzen en teruggeworpen worden op hun ware zelf. Ik weet het niet meer precies, maar voor haar ging die vlieger in ieder geval niet op; zij was altijd al onuitstaanbaar geweest.

Toen ze nog jong en mooi was, wilde men haar de tekortkomingen in haar karakter nog vergeven, vanwege haar talent en roem. Maar naarmate ze ouder werd en de spotlights van haar verschoven naar evenzo getalenteerde en mooie, maar jongere zangeressen, moest zij net zoals normale stervelingen de consequenties ondervinden van een slecht karakter: eenzaamheid.

Ooit werd ze aanbeden door mannen, vrouwen en alles ertussenin, maar aanbidding is niet hetzelfde als liefde, en wie nooit liefgehad wordt leert zelf ook niet lief te hebben, noch van een ander, noch van zichzelf. Toen de aanbidders waren verdwenen bleef ze dus liefdeloos achter, omringd door herinneringen aan haar gloriedagen, totdat ook die herinneringen verdwenen waren.

Het enige dat niet verdween, was haar alles overheersende verwaandheid. Zo passeerde het regelmatig dat zij zichzelf, geconfronteerd met een van de portretten of foto’s uit haar gloriedagen waar het huis mee vol hing, vol minachting van commentaar voorzag: ‘Wie is die vrouw? Wat stelt zij nou helemaal voor? En waarom moet ik naar haar kijken? Hang liever een foto van mij op - haal weg dat ding!’

Dat zij geen vrienden had, zal dus niemand verbazen, en zover ik merkte waren er ook geen familieleden die zich om haar bekommerden, Kerst of niet.

Mijn zorgtaken waren simpel. Ik moest haar ’s ochtends helpen op te staan, haar wassen, aankleden en te eten geven, haar installeren achter de tv of een puzzel, het huis aan kant houden, zorgen voor lunch en avondeten en voorkomen dat ze in huis verdwaalde of per ongeluk naar buiten liep, en aan het einde van de dag moest ik haar in haar nachtjapon hijsen en in bed leggen. Daarna werd ik afgelost door iemand van een professionele zorgorganisatie, maar die kwam alleen maar slapen.

Best een verantwoordelijke taak voor een jonge student, al zeg ik het zelf, en je zal je afvragen waarom die aan mij werd toevertrouwd, en niet om maar iets te noemen, aan een professional. Laten we het erop houden dat het iets te maken had met een legaat en dat het een huizenbaantje was, dat sinds jaar en dag werd doorgegeven van oudere, zorgzame en empathische huisgenoten naar jongere huisgenoten die voldeden aan alle vereisten: begaan met anderen, doortastend, zelfstandig en bovenaal geen lul met vingers. Het betaalde ook supergoed, met ampel tijd om te studeren - op mijn lijf geschreven dus. Ook ik ben geen lul met vingers.

Maar het viel me wel zwaar, zeker in die donkere dagen voor Kerst. De hele stad leek zich dit jaar uitgeput te hebben om de kerstsfeer er goed in te brengen. Middenstanders hingen hun etalages vol met kerstlichtjes en draaiden de ganse dag de meest wanstaltige kerstmuzak. In welhaast elk huis leek een mooi versierde kerstboom te staan, achter de ramen hingen oplichtende kerststerren, er waren zelfs arrensleeën en rendieren van gekleurde kerstlichtjes te zien. Overdreven, misschien, maar een stuk gezelliger dan het huis van mevrouw.

Het was alsof al het duister en alle stilte van die lange, koude winternachten, alsof alle kilte en ongezelligheid die overal verdreven werden door knisperende haardvuren, kerstmuzak en fonkelende lichtjes, hun toevlucht zochten in dat ene huis aan het Rapenburg, in dat mausoleum voor een leven dat zichzelf al lang vergeten was, en waar alle glans en warmte al lang uit verdreven waren.

Elke poging om iets van kerstsfeer in het huis te brengen, leek dan ook bij voorbaat gedoemd te mislukken. Het bosje hulst dat ik had opgehangen werd achteloos in de prullenbak gegooid, want klimop hoort niet aan de gevel, laat staan in huis. De kerstlampjes die ik in de vensterbank had neergelegd moesten uit, want mevrouw kreeg er hoofdpijn van. En toen ik in de keuken tijdens het koken op spotify naar een kerst-playlist luisterde werd me vanuit de voorkamer toegesnauwd of die ordinaire troep uitgezet kon worden.

Het was alsof ik terecht was gekomen in een zwart gat, dat alles wat met kerst te maken had onherroepelijk opslokte en in het niets liet verdwijnen.

Daarom verbaasde het me temeer toen ik een paar dagen voor Kerst bij aankomst in het huis de geur van uitgeblazen kaarsen rook. Mijn neus achterna lopend ontdekte ik dat de geur het sterkst was in de achterkamer, waar de vleugel van mevrouw stond. Maar ik vond nergens kaarsen, of lucifers, of wat dan ook dat kon verklaren waar de geur vandaan kwam. Zuster Marga, die deze week de slaapdiensten deed, wist nergens van, en toen ik mevrouw ernaar vroeg tijdens het aankleden bitste ze me toe dat ik geen onzin moest uitkramen, en of ik al thee had gezet. Dat ik haar zojuist zoals iedere ochtend thee op bed had gebracht was ze al weer vergeten.

Joost Parmentier

De wereld is een raadselachtige plek, die voortdurend lastige vragen oproept. Wat was er voor de big bang? Is morele vooruitgang mogelijk? Overleeft de aarde de mensheid? Joost Parmentier, detective tegen wil en dank, heeft moeite met dit soort grote vragen. Daarom concentreert hij zich liever op het kleine: hoe ver ga ik vandaag hardlopen, […]

De volgende ochtend rook ik het weer. Nu ontdekte ik ook een leeg pak vla in de vuilnis, terwijl ik zeker wist dat ik de vorige avond de zak had verwisseld. Marga kon me alleen vertellen dat mevrouw altijd sliep als een blok en dat zij zelf zeker geen vla had gegeten.

De derde ochtend rook ik niets, en ook de prullenbak was leeg. Maar nu was het mevrouw zelf die iets gehoord had; ‘die Marga maakt maar een herrie, ’s nachts,’ zei ze, en wat moest ze trouwens met haar vleugel? Daar moest ze van afblijven, de dilettant.

Marga ontkende bij hoog en bij laag uit haar bed gekomen te zijn en had bovendien de hele nacht niets gehoord. Ik was geneigd haar te geloven; ik had niet de indruk dat ze een lichte slaper was.

Toen ik bij de vleugel ging kijken stond die erbij als altijd; ingepakt in een zware, fluwelen beschermhoes, waarop ingelijste foto’s stonden van, hoe kan het ook anders, mevrouw: Mevrouw in een bontjas op de Spaanse trappen in Rome, mevrouw zonder bontjas op het strand bij Cannes. Mevrouw met een zonnebril op voor het Sydney Opera House. Mevrouw zonder zonnebril op de rode loper van het Mett-gala in New York. Mevrouw in haar eentje achter een vleugel op een podium in Parijs of Milaan of Londen. Mevrouw omgeven door journalisten en fotograven, breed lachend naar niemand in het bijzonder.

Één foto viel me nu voor het eerst op: twee jongens, de een een schriele indo met een zwarte bos krullen en een brutale twinkeling in zijn ogen, de andere een stugge loebas met roodblond haar die zo weggelopen leek uit een film van Leni Riefenstahl. Met de armen over elkaars schouders geslagen stonden ze op het fietsersbruggetje over het Galgewater bij de morspoort. Ik herkende aan de molen, en in de achtergrond kon je de koepel van de Morspoort zien. De foto was in een hoek van een lijst geplaatst, voor het glas.

Bij het ontbijt liet ik de foto aan mevrouw zien. ‘Wat een schriele kip,’ zei ze. En, wijzend op de grote blonde, ‘en dat ben jij zeker?’ Ik vertelde waar ik de foto had gevonden, maar ze had foto noch jongens ooit eerder gezien. Of ze was ze vergeten; dat kan ook, natuurlijk.

Het hield me de hele dag bezig. Ik moest me eigenlijk richten op het literatuuronderzoek voor mijn scriptie, maar in plaats daarvan voerde ik zoekopdrachten in over mevrouw, of ik slenterde door het huis, op zoek naar meer foto’s van de twee jongens. Maar ik vond niets.

Die avond besloot ik de nacht in het huis van mevrouw door te brengen. In de loop van de dag was ik er steeds meer van overtuigd geraakt dat de vreemde gebeurtenissen van de afgelopen dagen niet op toeval berusten, maar dat iemand telkens het huis moest zijn binnengedrongen. Het intrigeerde me, en ik wilde weten wie het was. Dus belde ik zuster Marga af met de eenvoudige mededeling dat ze vrij had gekregen.

Nadat ik mevrouw ’s avonds welterusten had gewenst, wat zoals gewoonlijk werd beantwoord met het verzoek haar dan ook met rust te laten, deed ik alle lichten uit en installeerde me beneden op de bank in de voorkamer. Pas toen ik een berichtje van mijn zusje kreeg, of ze me morgen bij het kerstontbijt zou zien, realiseerde ik me dat het Kerstavond was.

Ik viel in een diepe, droomloze slaap, waaruit ik pas wakker werd toen het licht was geworden in de kamer. Ik wreef de slaap uit mijn ogen en zag dat het licht niet van buiten kwam, maar van de kroonluchter aan het plafond. Tegelijkertijd hoorde ik het geluid van een piano. Geen muziek, maar een enkele noot, telkens opnieuw gespeeld, en telkens een fractie hoger dan de vorige keer.

Ik ging recht opzitten en keek over de leuning van de bank naar de vleugel. De klep stond omhoog. Alle fotolijsten lagen op een slordige stapel op de grond, naast de opgevouwen stofhoes.

Over het klavier heen gebogen stond een klein, krom mannetje. Zijn kleren waren versleten en vuil, zijn schoenen afgetrapt, en om zijn hoofd zweefde als een versleten halo een kluwen van zwart, klitterig haar. Zijn armen, die in het binnenwerk van de vleugel staken, waren pezig, maar ook sierlijk. Hij leek wel een elf, maar dan wel een hele vieze.

Toen herkende ik hem. Het was de junk van de openbare bibliotheek. Een tengere indo met een vlassig snorretje die altijd rondliep in een overmaatse, zwarte donsjas. Met zijn kleine hoofd diep weggestoken in de kraag van die enorme jas en zijn waterige oogjes deed hij me altijd denken aan een vogeltje in een nest, amechtig opkijkend naar zijn moeder, en dan hield hij zijn verweerde klauw omhoog en vroeg met een nauwelijks hoorbare piepstem om een euro voor de nachtopvang. Als ik me niet vergistte, was hij de vleugel aan het stemmen.

‘Ahum,’ zei ik.

Hij reageerde niet, maar toen ik het nog een keer zei, iets harder nu, wendde hij geërgerd zijn hoofd af.

Toen ik naast de vleugel ging staan, keek hij verstoord op, en vroeg: ‘Was er geen plek voor je bij de nachtopvang?’

Het duurde even voordat ik doorhad wat hij bedoelde.

‘Je bedoelt,’ zei ik, ‘je bedoelt dat ik hier ben omdat de nachtopvang vol is? Maar ik hoef helemaal niet naar de nachtopvang. Ik werk hier. Wat doe jij hier eigenlijk?’

‘Ik werk hier ook,’ zei hij, en begon aan de volgende snaar.

‘Ja, maar,’ begon ik, maar hij siste dat ik stil moest zijn en ging door met zijn getik en gedraai.

Met een klein, stoffen hamertje sloeg hij telkens op een snaar, terwijl hij tegelijkertijd met een tangetje draaide aan de bout waar die snaar omheen gespannen was, net zolang tot hij de juiste toon had gevonden. Daarna ging hij zonder op of om te kijken door naar de volgende snaar. Verwonderd bleef ik staan kijken. Ik kon haast niet geloven dat deze man, met zijn stoffen hamertje en vaardige handen en absolute gehoor, dezelfde man was die voor de openbare bieb om eurootjes stond te bedelen. Maar ondertussen maakte ook mijn neus me duidelijk dat dit toch echt de junk van de OB was; ik herkende de zoet-gore zweetlucht uit de wc waar hij zijn behoefte pleegde te doen, en die ik daarna trachtte te vermijden - maar de openbare bibliotheek heeft maar één wc, en soms is uitstellen geen optie.

Met een laatste tik op de snaren rondde hij zijn klus af. Hij nam plaats achter de vleugel, spreidde zijn vingers, die opvallend schoon waren, over de toetsen, en speelde een akkoord. Daarna nog een, en nog een, over de volle breedte van het klavier, totdat hij alle toetsen in verschillende combinaties had gehoord.

Toen hij zich tevreden had gesteld dat het instrument gestemd was sprong hij op van de kruk. Hij trok zijn zwarte donsjack, dat onder de vleugel had gelegen, weer aan, haalde een paar keer zijn neus op en keek schichtig om zich heen. Met zijn handen diep weggestoken in zijn zakken en zijn hoofd teruggetrokken in zijn kraag was hij weer helemaal de junk van de OB.

‘Wil je wat eten?’, vroeg ik. ‘Of drinken?’

Hoe vaak zou hem verweten zijn dat hij alleen maar bedelde om drank of drugs te kopen, schoot het door me heen, en nu bood ik hem zelf iets te drinken aan. Maar aarzelend antwoordde hij: ‘Kopje thee, misschien?’

‘En iets te eten?’, vroeg ik weer, maar met zijn ogen op de grond gericht schudde hij zijn hoofd.

Toen ik even later uit de keuken kwam met een pot thee en, ik had het niet kunnen laten, een schaaltje met wat kerstkoekjes, zat de zwerver gehurkt naast de vleugels naar de ingelijste foto’s te kijken. Met een vluchtige uitdrukking die het midden hield tussen een glimlach en een grimas legde hij de lijst die hij in zijn hand hield terug op de stapel en kwam bij me zitten bij de bank. Hij hield zijn arm om zijn middel geslagen, alsof hij buikpijn had.

‘Gaat het?’, vroeg ik, maar hij schudde zijn hoofd. Ik schonk thee in en gebaarde naar de koekjes. ‘Vrolijk kerstfeest.’

Niet-begrijpend keek hij me aan.
‘Vrolijk kerstfeest,’ zei ik weer. ‘Het is kerstmis.’
Hij knipperde een paar keer, knikte, en zei toen nadenkend: ‘Kerstmis.’
Met beide handen omklemde hij de kop thee en liet de warme dampen op zijn gezicht slaan. Toen zette hij de beker terug op het tafeltje en begon te praten.

‘Er waren eens twee broers,’ zei hij. ‘Een tweeling, al was het er niet aan af te zien. De een had talent, maar geen doorzettingsvermogen. De ander had doorzettingsvermogen, maar geen enkel talent. Die met talent kon doen wat hij wilde; alles wat hij probeerde, lukte. Hij probeerde muziek, en dat lukte. Hij probeerde vrouwen, en dat lukte ook. Hij probeerde drank, en dat lukte nog beter. En toen probeerde hij drugs, en dat lukte nog het beste.

‘Ondertussen lukte zijn broer, die nergens talent voor had, maar weinig. Hij probeerde school, maar dat lukte niet. Vrouwen lukten evenmin, en drank en drugs al helemaal niet. Maar hij zette door, en haalde zijn rijbewijs, en zette nog harder door, en werd ambulancebestuurder.

‘En als het dan winter was, en een gure wind door de stegen van de stad joeg en de sneeuw zich in de portieken ophoopte en alle mensen hun kragen opzetten en zich naar huis haastten om zich te laven aan het kleinburgerlijk geluk van een rijk versierde boom en vreten op aarde, dan reed de broer zonder talent in zijn ambulance door de stad op zoek naar zijn talentvolle tweeling. En als hij hem dan gevonden had, in een steeg of een portiek of onder een brug, dan tilde hij hem zonder iets te zeggen in de ambulance, wikkelde hem in warme dekens, zette zijn lievelingsmuziek op en reed hem door de stad, totdat hij uitgerild en opgewarmd was, en dan zette hij hem af bij de EHBO, of de nachtopvang, of het Leger des Heils, afhankelijk van waar de talentvolle broer aan toe was.’

Ik wachtte op meer, maar het verhaal was blijkbaar uit.
‘Mooi kerstverhaal,’ zei ik dus maar.
De junk trok zijn schouders op. ‘Misschien had je erbij moeten zijn.’
‘En nu?’, vroeg ik.
‘Wat nu?’, vroeg hij.
‘Hoe is het met de getalenteerde broer?’, vroeg ik.
Voor de tweede keer vanavond keek hij me aan. ‘Wie van de twee bedoel je?’
Hij stond op van de bank, enigszins onhandig omdat hij zij arm nog steeds tegen zijn onderlijf aangeklemd hield.
‘Wat ga je doen?’, vroeg ik. ‘Je kan hier wel blijven slapen...’
Maar hij schudde zijn hoofd. ‘Tijd om te gaan,’ zei hij. ‘Als ik de zon nog op wil zien komen.
Opeens had ik met hem te doen. ‘Ik loop wel met je mee. Als je het goed vindt, tenminste.’
Hij schudde zijn hoofd, maar zei niet dat ik niet mee mocht, dus pakte ik mijn jas en liep achter hem aan naar buiten.

‘Hoe heet je trouwens?’, vroeg ik toen we voor het huis stonden. Het was een heldere nacht, en ijzig koud. Boven de stad fonkelden sterren.
‘Rudolf,’ antwoordde hij. ‘Maar iedereen noemt me Rammy.’
‘Joost,’ zei ik. ‘Aangenaam.’
Hij begon te lopen in de richting van de Garenmarkt.
‘Waar gaan we heen?’, vroeg ik.
‘Nachtopvang,’ mompelde hij.
‘Heb je genoeg geld voor de opvang?’, vroeg ik. ‘Anders betaal ik wel.’
Hij gaf geen antwoord, maar liep stevig door. Ik moest mijn best doen om hem bij te houden. Via de Garenmarkt liepen we naar het Levendaal. Ik had geen idee waar de nachtopvang was. Hopelijk niet in Leiderdorp, schoot nu door me heen. Barmhartigheid kent ook zijn grenzen. Maar halverwege het Levendaal stopte mijn reisgezel bij een appartementencomplex, waar hij ongeduldig op het bellenbord drukte.
‘Even een tussenstop,’ mompelde hij. Toen er een slaperig ‘Ja’ door de intercom klonk, zei hij: ‘Sjef, ik ben het, Rammy.’
Sjef moest even nadenken. Toen zei hij: ‘Zo, dat is lang geleden, Rammy. Kom maar naar boven.’
De deur werd opengezoemd. ‘Ben zo terug,’ zei Rammy, en voor ik er erg in had was hij naar binnen geglipt en had hij de deur achter zich dichtgetrokken.
Vijf minuten later kwam hij weer naar buiten. Zonder iets te zeggen liep hij de kant op waar we vandaan waren gekomen, terug de binnenstad in. Hij zette er opnieuw goed de pas in. Pas toen ik hem inhaalde en vroeg of we dan nu naar de nachtopvang gingen, leek hij zich te herinneren dat ik ook mee was. Hij knikte afwezig, maar had toen een ingeving: ‘Kan je niet een taxi bestellen, of zo?’
Toe maar, dacht ik, maar had mijn mobiel al uit mijn zak gehaald. Even later stonden we voor de Hoogvliet te wachten op een taxi. Nerveus tikte Rammi een ritme op zijn jas. Van zijn buik had hij zo te zien geen last meer. Ik keek op mijn mobiel. Het was half zeven.

De taxichauffeur nam ons wantrouwig op. ‘Heb je wel geld bij je?’
‘Geen zorgen,’ zei ik. ‘Ik betaal.’
Terwijl we door de stad reden kon ik op de meter precies zien hoeveel. ‘Kom op, Joost,’ dacht ik. ‘Het is maar één keer Kerstmis.’ Naast me zat Rammy neuriënd naar buiten te kijken. Ik herkende de melodie: een nummer van de Beatles: Here comes the sun.

De nachtopvang bleek op een zijstraat van de Morsweg te zitten, vlakbij de Morspoort. Ik wilde uitstappen, maar Rammy hield me tegen. ‘Komt goed,’ zei hij. Zijn schichtige ogen rustten een tel op mijn gezicht en schoten weer weg. Eenmaal uitgestapt kwam hij nauwelijks boven de auto uit. Zijn handen verdwenen diep in de zakken van zijn vlekkerige donsjas. Met een verbaasd gemompel dat ook een kuch had kunnen zijn haalde hij iets uit zijn zak. Hij keek ernaar, haalde zijn schouders op en reikte het me aan. Toen sloeg hij de portier dicht. In mijn hand hield ik een zilveren lijst met daarin een foto van mevrouw. ‘Zozo,’ zei de taxichauffeur, over zijn schouder meekijkend. ‘Als dat echt zilver is, is het behoorlijk wat geld waard.’
Toen ik weer opkeek, was Rammy verdwenen.

Ik liet me op het Rapenburg afzetten voor het huis van mevrouw. Binnen zette ik eerst koffie en begon daarna met de voorbereidingen van de dag; de afwasmachine uitruimen, de ontbijttafel dekken, pillendoosjes klaarzetten, thee zetten, maar toen ik dat allemaal gedaan had was het nog steeds niet tijd om mevrouw te wekken, dus slenterde ik de achterkamer in. De vleugel stond er nog net bij als bij ons vertrek; klep omhoog, beschermhoes ernaast op de grond. De stapel fotolijsten naast de opgevouwen beschermhoes leek iets kleiner dan ik me herinnerde.

Ik dacht aan hoe Rammy zijn arm tegen zijn lijf geklemd had gehouden tijdens onze nachtelijke wandeling, en aan de fotolijst die hij me bij ons afscheid had gegeven. Gelaten schudde ik mijn hoofd. Vandaar dat hij geen geld nodig had gehad voor de nachtopvang; Rammy had zijn eigen kerstpakket geregeld. Of loon naar arbeid, natuurlijk; hij had immers de vleugel gestemd. Hoe dan ook: mevrouw zou de lijsten niet missen.

Wat een vreemd mannetje, dacht ik. Zijn gereedschap had hij ook laten liggen. Een leren foedraal met een hamertje en een paar tangen. Het prijskaartje hing er nog aan, zag ik. Zou hij die ook gejat hebben?

Ik nam plaats achter de vleugel en drukte een willekeurige toets in. Bij toeval klonk het als de eerste noot van Jingle Bells. Ik drukte de toets nog acht keer in in het goede ritme en ging toen op zoek naar de volgende noot - iets hoger, dus naar rechts. Toen ik de goeie toets had gevonden begon ik opnieuw van voren af aan, tot ik weer vastliep en op zoek moest naar de volgende noot.

Ik was zo bezig met het uitwerken van de melodie van het liedje, dat ik pas merkte dat mevrouw de kamer in was gekomen toen ze me toebeet dat het nergens naar klonk. ‘Ik heb wilde apen beter piano horen spelen,’ zei ze. ‘Maak eens plaats - dan zal ik je laten horen hoe het moet.

Beschaamd stond ik op. In haar nachtjapon ging mevrouw achter de vleugel zitten, met haar rug kaarsrecht en haar kin omhoog, alsof ze niet in haar pyjama in haar eigen achterkamer zat, maar in een galajurk op het podium in een afgeladen concertgebouw. Ik wachtte in spanning af, maar toen vloeide de spanning uit haar rug en keek ze langzaam knipperend om zich heen. De concertpianiste was verdwenen, en mevrouw was weer terug.

Ik kon het niet aanzien, en draaide me om om naar de keuken te gaan.

Achter me begon ze te spelen, maar het klonk nergens naar. Het had nog het meeste weg van een poes die op een piano was gesprongen; een reeds onsamenhangende noten, soms zacht en dan weer hard aangeslagen, zonder enig verband laat staan muzikaliteit. Van rechts naar links liep de poes over de toetsen en dan weer terug, zonder door te hebben dat het haar poten waren die dat vreemde geluid voortbrachten. Nog een keer liep ze omlaag over de toetsen, en weer omhoog. En nog een keer. Ik stond op het punt om door te lopen naar de keuken, maar toen viel me iets op: elke keer dat mevrouw de poes over de toetsen liet lopen, werd het iets ritmischer en werden vaker per toeval met elkaar harmoniserende noten aangeslagen. Ook leek langzaam uit de onsamenhangende noten een melodie te ontstaan.
Ik draaide me weer om en keek met toenemende verbazing naar wat zich achter de vleugel afspeelde.

Het was alsof een poes zichzelf in vijf minuten piano leerde spelen: eerst voorzichtig, zelf schrikkend van ieder geluid dat onder haar pootjes vandaan kwam, maar daarna met speels plezier heen weer lopend over het klavier, steeds sneller, steeds mooier en opwindender, totdat de poes in kattensprongen heen en weer buitelde over het klavier, van links naar rechts en terug, tollend om haar as om haar vier poten maar snel genoeg weer op de toetsen terug te kunnen plaatsen voor het volgende prachtige akkoord, en dan door, alsof ze niet vier poten had, maar acht, of alsof er niet slechts één, maar twee of zelfs drie poezen achter elkaar over de toetsen heen vlogen
Maar het waren geen poezen, maar de handen van mevrouw die heen en weer vlogen over het klavier, en die een wervelwind van geluid, nee, van muziek, want het was nu echt muziek geworden, produceerden.

Langzaam liet ze het tempo weer afnemen. Steeds rustiger bewogen haar handen heen en weer over de toetsen, nog altijd over de volle breedte van het klavier. Af en toe maakte de poes nog een gek sprongetje, maar naarmate de snelheid uit het stuk liep leek de poes steeds minder op een musikale wonderkat, en meer op een gewone poes, die per ongeluk op het toetsenbord van een piano was gesprongen en zich er geen raad mee wist. Op het laatst bleven alleen die onsamenhangende noten van het begin van het stuk over - als ik me niet vergiste, exact dezelfde onsamenhangende noten.

Ik weet niet meer wanneer mijn mond open was gevallen, maar nu sloot ik hem weer. Mevrouw begon te lachen. Helder, vrolijk en lang. En helemaal voor haarzelf. Daarna begon ze weer te spelen. Ditmaal was het alsof een bij door de kamer vloog, heen en weer zoemend, op zoek naar honing in een zonovergoten bloemenwij. Waarom waren de gordijnen nog dicht, vroeg ik me opeens af, alsof de zon die nu in de kamer opkwam erdoor weerhouden werd de wereld in te stralen. Ik trok de gordijnen open, en zie, buiten scheen ook de zon.
Ondertussen speelde mevrouw door, weer een volgend stuk, en tijdens het spelen hoorde ik haar hardop lachen, in zichzelf praten, zingen. In de muziek was ze een ander mens geworden - of misschien niet. Misschien was ze precies dezelfde, maar zag ik haar nu in een ander licht. Haar muziek was prachtig, en dat maakte haar ook prachtig.

Van al die schoonheid, en misschien ook wel doordat ik zo kort geslapen had deze nacht, kreeg ik tranen in mijn ogen. Ik keek naar buiten, naar de ijle winterzon, en voelde die andere zon stralen in mijn rug. Ik dacht terug aan mijn nachtelijke avontuur met Rammy, en werd vervuld van liefde. Voor mijn moeder, mijn zusje, mijn vrienden, voor mevrouw ook, en voor Rammy, die haar, mij, dit geschenk gegeven had.
Wat een gek mannetje, dacht ik weer. Ik had het nooit achter hem gezocht. Hoe zou het met hem afgelopen zijn? Zat hij nu aan het kerstontbijt bij de daklozenopvang?

Ik dacht aan de lijsten die hij gestolen had, aan ons tripje naar het Levendaal, aan zijn geneurie in de taxi. Hier komt de zon. En opeens wist ik wat hij van plan was geweest.

Terwijl ik zo hard ik kon het Rapenburg affietste in de richting van de Morspoort, werd het pianospel van mevrouw, dat nog altijd doorklonk in mijn hoofd, langzaam overstemd door het bonken van mijn hart. Hoe had ik ziende zo blind kunnen zijn?

Vijf minuten later stormde ik binnen bij daklozenopvang de Binnenveste, waar net aanstalten werden gemaakt om aan het kerstontbijt te gaan zitten. Twee jonge kinderen keek me angstig aan van achter hun moeder, die ze in het Pools geruststellend toesprak, terwijl ze mij ondertussen nauwlettend in de gaten hield. Van achteren werd een hand op mijn schouder gelegd. ‘Meneer, kan ik je helpen?’

Terwijl ik op adem probeerde te komen scande ik de zaal, op zoek naar Rammy. De hand bleef op mijn schouder liggen, als een geruststelling die zo nodig kracht bijgezet kon worden.
‘Meneer,’ vroeg de stem weer.
‘Rammy,’ stamelde ik. ‘Is die hier nog?’
‘Rammy?’, antwoordde de stem, vriendelijker nu. ‘Die is hier vannacht niet geweest.’
‘Shit, shit, shit,’ prevelde ik. Waar zou hij kunnen zijn?
‘Heb je al bij de molen gekeken?’, vroeg de stem. ‘Daar wil hij ook wel eens zitten. Als de OB dicht is, tenminste.’
Ik dacht aan de foto van de twee jongens, op de fietsersbrug over het Galgewater.
‘Je weet wel,’ zei de stem. ‘Hier aan de overkant, bij de Morspoort.’
Maar ik was al op weg.

Ik zag hem van een afstand al zitten, op een bankje in het kleine park bij de molen, uitkijkend over het water. Zijn piekerig haar stak boven de kraag van zijn donsjas uit.

Opgelucht zette ik mijn fiets neer en liep naar hem toe, maar ik werd tegengehouden door een man die zijn hond aan het uitlaten was. ‘Sorry jongen, maar het gaat niet helemaal goed met die zwerver. Je kan beter even hier blijven - ik heb 112 al gebeld.’
Uit de verte klonk het geluid van aanzwellende sirenes. Een ambulance scheurde de Morssingel in, sloeg af bij de Morspoortbrug Even later kwam die bij ons tot stilstand.

De chauffeur en een verpleegkundige stapten uit. Terwijl de verpleegkundige aan ons vroeg of wij gebeld hadden, liep de chauffeur al naar het bankje. Ik begon achter hem aan te lopen, maar stopte al na een paar passen. Ik weet niet zo goed waarom - misschien wel omdat ik wist wat er komen ging, al had ik die gedachte op dat moment op geen enkele manier kunnen formuleren.

De chauffeur, groot, grijs-blond en aan de groeven in zijn gezicht af te lezen ongeveer net zo oud als Rammy, maar een stuk beter geconserveerd, knielde voor het bankje neer, waar Rammy nog altijd bewegingloos voor zich uit staarde.

De verpleegkundige voegde zich bij de chauffeur, legde haar hand even op zijn schouder en liep na een kort overleg terug naar de ambulance. ‘Ik maak de brancard wel in orde,’ hoorde ik haar zeggen.

De chauffeur zat nog altijd geknield voor Rammy. Toen ging hij staan. Hij pakte iets uit Rammy’s schoot en borg het op in een van de zakken van zijn donsjack, die hij vervolgens behoedzaam dichtritste. Toen nam hij het bewegingloze lichaam van de man in zijn armen en liep ermee naar de ambulance.

Terwijl hij me passeerde met dat kleine, frêle, in dons ingepakte lichaam in zijn stevige armen en een onpeilbare uitdrukking op zijn gezicht, moest ik denken aan een vader die zijn kind lang na bedtijd naar zijn slaapkamer draagt.

En zo was het ook.