Tycho en Joost Gaan Naar de Hoeren.
Ik zat net te bedenken hoe Esmé voor het neuken cocaïne op mijn eikel smeerde, toen de trein met een schok tot stilstand kwam. Ik opende mijn ogen en zag in de verte Leiden liggen.
Leiden. It’s been a while. Of, zoals mijn Duitse Kameraden in het Vreemdelingenlegioen zeiden: das war einmal. Mijn talen heb ik er wel geleerd, ja, in het legioen. En in Leiden? Pas tellement.
Maar ik heb nergens spijt van. Van Leiden niet, en van het legioen ook niet. Je ne regrette rien… Toch, Edith? Putain. Nee, spijt, daar doen we niet aan.
Hoeren zijn een dingetje. Toen ik deserteerde, samen met een maat, zijn we eerst door de jungle naar Brazilië gevlucht. Daar hebben we zes maanden ondergedoken gezeten in een bordeel. In een gehucht, vlak over de grens met Frans Guyana. Geen straf, na drie en een half jaar Vreemdelingenlegioen. De vrijheid opsnuiven. En coke en kut, natuurlijk. Veel coke en kut.
En nu zat ik dus met een half-stijve pik vanuit een stilstaande trein naar studentenstad Leiden te kijken, waar ik vijf jaar geleden was vertrokken om nooit meer terug te keren. Vroeger wilde ik er soms een bom onder leggen. Inmiddels weet ik hoe dat moet, maar voel ik de behoefte niet meer. Gek hoe het leven je verandert. Denk daar maar eens over na, Tycho Goedhard.
Maar hoeren, dus. Daar gaat dit verhaal over. Homecomings, en hoeren.
Van het station liep ik via de Beestenmarkt naar het Rapenburg. Ter hoogte van het academiegebouw sloeg ik af en belde aan bij mijn oude studentenhuis. Een middelbare scholier in een badjas deed open.
‘Is de koffie al klaar, sjaars?’, vroeg ik, terwijl ik met een dreun de voordeur opensloeg.
‘Sorry?’, vroeg de sjaars.
‘Het is toch dies? Of doen we daar niet meer aan?’
Ik liep door naar de keuken, met de sjaars in touw. Ik zocht de ketel, maar zag alleen maar een Nespresso apparaat.
‘Zetten we geen koffie meer?’, vroeg ik.
‘Jawel, hoor,’ maarzelde de sjaars. ‘Wil je koffie? We hebben pads.’
Ik schudde mijn hoofd. ‘Flikker op met je pads. Ik wil koffie.’
Achterin een keukenkast vond ik de ketel, een oude thermoskan en een plastic koffiefilter. Ik wees ernaar en zei: ‘Ik ga koffie en filters halen. Zet water op en maak die thermos schoon. En maak de rest van het huis wakker. Het is dies, man.’
Toen ik terugkwam stond het water te koken. De sjaars was nergens te bekennen, maar de thermoskan stond klaar op de fusietafel. Bon garçon. Ik vond een schaar om het koffiepak mee open te knippen, vouwde de randen van een Melita-filter om en plaatste het in de filterhouder op de thermoskan. Ik schudde koffie in het wankele filter en schonk er water op. Terwijl de koffiedampen in mijn gezicht sloegen druppelden de huisgenoten langzaam de keuken in. De sjaars als laatste, aangekleed nu. Op hun voorzichtige vragen ging ik niet in zo lang ik bezig was met de koffie. Ook onderling wilde het gesprek niet echt vlotten, waardoor uiteindelijk iedereen in stilzwijgen toekeek hoe ik koffie zette. Alleen de sjaars handelde adequaat: hij zette voor iedereen een kop klaar.
‘Goed, mannen,’ zei ik toen de koffie was ingeschonken. ‘Hoe is het met het huis?’
De nestor nam het woord en de rest ontspande zich zienderogen. Ik ben het gewend. Mensen voelen zich niet op hun gemak bij mij. Daar doe je niets aan.
Het lukte me niet om gefocust te blijven op de studentenheldenverhalen van de nestor. Been there, done that. Iedereen doet zich hier stoerder voor dan hij is. Doe mij maar Esmé - die had meer van het echte leven gezien dan het hele klere corps bij elkaar. Bovendien drongen andere beelden zich op. De onbezoedelde lijven van de jongens die om me heen stonden, bijvoorbeeld, maar dan aan stukken gereten door een bermbom. Of het uit elkaar spattende hoofd van de nestor nadat een scherpschutter een kogel met 2400 km per uur door zijn hersenpan had gejaagd. Wat hoopte ik hier te vinden? Vrienden? Wie hield ik eigenlijk voor de gek?
Er was een stilte gevallen. Verwachtingsvolle blikken waren op mij gericht.
‘Sorry, wat zei je?’, vroeg ik aan de van kleur verschietende nestor.
‘Ik vroeg… Ik zei… Jij bent toch Tycho Goedhard? Jij bent toch de OH die bij het vreemdelingenlegioen is gegaan? Hoe was dat?’
Iedereen hield zijn adem in. Wat zou ik antwoorden? Dat ik mensen had leren doodmaken? Vrienden had verloren? De stront uit de billen van mijn neergeschoten maat had gewassen, zodat we hem tenminste schoon konden begraven?
Ik haalde mijn schouders op en keek de jongens welwillend aan. ‘Vergeleken bij het corps, jongens - easy peasy.’
Lachsalvo's weerkaatsten van de keukenmuren. Van de pret sloegen ze elkaar op de schouders. Dat was een goeie: het corps is nog harder dan het vreemdelingenlegioen. Niets wat ze nog niet wisten, natuurlijk, maar toch fijn dat het bevestigd werd door een ervaringsdeskundige. Leer mij mijn pappenheimers kennen. Die bom begon alweer aantrekkelijk te worden.
Er werd op de deur gebonsd - meer oud-huisgenoten, hoezee. Ook jongens met wie ik gewoond had. Gestudeerd, gedronken, gekotst. Ook dat was een leven geweest. Ze waren benieuwd naar mijn verhalen, maar meer naar de verhalen, dan naar mij. Die zouden ze dan later kunnen herhalen (‘Ken je Goedhard? Die bij mij in huis heeft gewoond? Man, wat die heeft meegemaakt - moet je horen…’), ter meerdere eer en glorie van zichzelf, natuurlijk. Ik kon het ze niet kwalijk nemen. Verhalen zijn hard currency in Leiden.
Naarmate het huis zich vulde en de verhalen en het bier rijkelijker vloeiden, voelde ik me steeds minder op mijn gemak. Wat een aanstellers. Wat een hoerenzooi. Weer moest ik aan Esmé denken. Bij haar wist je tenminste precies waarom je gepepen werd.
Op weg naar de voordeur zag ik de sjaars staan, temidden van een groepje jongere huisgenoten. Hij werd gedold, vanzelfsprekend. Dat is zijn bestaansrecht. Bovendien hoefden ze zo niet met oud-huisgenoten te praten. De sjaars verweerde zich geestdriftig en zijn huisgenoten deden hem plagerig na. Tussen al het gejoel door hoorde ik een bekende naam: Parmentier.
‘Parmentier?’, mengde ik me in het gesprek. ‘Hebben jullie het over Joost Parmentier?’
‘Natuurlijk hebben we het over Parmentier,’ lachte een huisgenoot. ‘Waar anders over? Nietwaar, sjaarsmans?’
De anderen vielen hem joelend bij. Sjaarsmans moest ervan blozen. ‘Je had erbij moeten zijn,’ zei hij.
‘Waarbij?’, vroeg ik.
‘Gisteren,’ antwoordde hij, zonder acht te slaan op zijn huisgenoten. ‘Het protest tegen de Breestraat. Dat was mooi, man.’
De Breestraat, de hoofdstraat van Leiden, loopt dwars door het centrum. Het stadhuis zit er, en de stadsgehoorzaal. Restaurants en winkels ook, en de sociëteit van onze studentenvereniging. Ik heb er geregeld moeten kotsen, maar dat lag aan mij. Met de straat zelf is niets mis. Geen idee waarom je ertegen zou moeten protesteren.
‘Het was één grote grap, natuurlijk, maar het was te gek. Parmentier had op twitter een alias aangemaakt, en opgeroepen om in actie te komen tegen foute straatnamen in Leiden. Met een site en al. Kijk maar.’
Hij liet me de site zien op zijn telefoon. ‘Leids Ontzet: Straatnamen waar je je voor moet schamen’. De site zag er vrij amateuristisch uit. Loszwevende tekstvakken in lelijke kleuren, korrelige foto’s, hyperlinks met de volledig uitgeschreven webadressen, en veel uitroeptekens. Maar de boodschap was duidelijk: Leidens historische straatnamen deugden niet. Grootste steen des aanstoots: ‘De Breestraat’, vernoemd naar Constantijn ‘Kontsatijn’ De Bree (geboren 1666). Op de ‘foutmeter’ scoorde ‘De Bree’ 9 uit 10, vanwege (ondermeer) de handel in slavinken, automatisch racisme en seks met minderjarige dieren. ‘Windt dit jou ook op?’, stond er tot slot, ‘kom dan op 31 maart naar De Breestraat voor een knuffelprotest. Verkleed je als Kontsatijn de Bree, en neem je favoriete knuffel mee!’
‘Knuffelprotest?’, vroeg ik.
‘Mooi toch? Vooral omdat hij tegelijkertijd een tegenactie heeft georganiseerd. Kijk.’
Hij liet me een tweede site zien. ‘Leids Verzet’, stond er, ‘tegen de wokus pocus.’ Ook deze site was niet bepaald gelikt. Wisselende lettertypes, slecht gekaderde foto’s, teksten die uit het beeld wegliepen. Maar ook hier was de boodschap duidelijk. De Bree was een held geweest, een voorbeeld voor de natie. Die moest je niet beoordelen naar de maatstaven van nu. Bovendien was seks met jonge paarden toen heel gewoon. Daarom was het tijd om in verzet te komen: ‘Na de negerzoen en zwarte piet, moeten nu ook straatnamen eraan geloven. Mooi niet, dus. Stop de wokus pocus! Doe je badmuts op, en kom op 31 maart naar de Breestraat.’ Bij de badmuts stond een link naar een site waar je huidkleurige badmutsen kon kopen.
‘Het was dus een grap?’, vroeg ik.
De sjaars knikte. ‘Ja, één grote grap - het was eigenlijk gewoon een verkleedfeest, voor zijn huis. Hij had boxen in zijn ramen gezet, er was drank. Echt mooi - kijk maar.’
Hij liet me een filmpje zien. Het zag eruit als een typisch studentenfeestje; uitgelaten, overmoedig, aangeschoten. Een jongen met een badmuts op, zoenend met een meisje in een witte galajurk met bloedvlekken erop.
‘Totdat de politie kwam, natuurlijk. Maar toen zijn we met zijn allen naar sociëteit gegaan.’
‘En Parmentier?’, vroeg ik.
De sjaars dacht even na. ‘Nu je het zegt - die heb ik niet meer gezien. Vreemd eigenlijk…’ Zijn ogen klaarden alweer op. ‘Maar wat een mooie avond. En wat een mooie gek, die Parmentier.’
Ik vond het een vreemd verhaal. De Joost Parmentier die ik van vroeger kende, was geen mooie gek, maar een berekende gek. It takes one to know one. Hier moest meer achter zitten.
Als het niet zondag was geweest, en daardoor relatief rustig in de stad, waren ze me misschien niet eens opgevallen. Het hielp ook dat mijn bezoekje aan mijn oude huis me op scherp had gezet. Ik ergerde me aan die kerels, aan de kerel die ik was geweest, aan het gemak waarmee ik die kerel weer kon zijn - daar nog het meeste aan. Mijn lichaam, nog altijd een goed geconditioneerde vechtmachine, zette die ergernis moeiteloos om in spanning. Ik voelde het aan mijn naar elkaar toe trekkende schouderbladen. Aan mijn handen, die zich tot vuisten balden. En aan mijn ogen, waarmee ik voortdurende de omgeving afspiedde, alsof ik nog in de Sahel was, in plaats van in Leiden. Fucking Leiden.
Maar goed, daardoor zag ik ze dus wel. De eerste halverwege de Ketelboetersteeg. Een pikzwarte gast van een jaar of 25. Glimmend trainingsjackje aan, een spijkerbroek vol gaten, grote, felrode gympen. Hij leek op Godwin, onze liaison in Mali, dus begroette ik hem zoals ik Godwin altijd begroette: ‘Kóyo. Vbèè óye hé?’ Geschrokken keek hij op, maar voor hij er erg in had, had hij me al beantwoord met het gebruikelijke: ‘Òy’ èsé.’ Een Nigeriaan, dus, uit Edo. Zijn bloeddoorlopen ogen schoten heen en weer en hij deed een stap naar voren, maar ik passeerde hem en liep zonder iets te zeggen door. Pas aan het einde van de steeg, vlak voor ik de Breestraat inliep, keek ik terug. De jongen stond me vanaf dezelfde plek na te kijken, pratend in zijn mobiel.
Daardoor viel de tweede me ook op. Die stond ook te bellen, terwijl hij vanaf de overkant van de straat hardnekkig mijn kant op staarde. En toen ik daarna doorliep, erop gespitst nu, zag ik vijftig meter verderop, op de hoek van Koornbrugsteeg, nog zo’n guy staan. Ook deze had kennelijk niets beters te doen dan mij uit de Breestraat weg te kijken. Mijn Breestraat, verdomme.
Eerst maar verhaal halen bij Parmentier. Ik draaide me om en belde aan bij het huis waar de sjaars me naar had verwezen. De man aan de overkant had zijn telefoon weggestopt. Met zijn armen over elkaar hield hij me ongegeneerd in de gaten. Ik liet me niet kennen, maar keek de straat door, in de richting van de Hoogvliet. Toen zag ik nummer vier, die al net zo weinig te doen had als zijn drie maten. Het leek hier Mogadishu wel. Het moest niet veel gekker worden.
Gestommel in de gang. Een stem riep nerveus: ‘Wie is daar?’
‘Tycho,’ antwoordde ik. ‘Een vriend van Joost.’
‘Wacht even.’
Ik wachtte. De man aan de overkant zette een pas mijn kant op. Zijn hand verdween onder zijn jas. Nummers drie en vier slenterden mijn kant op. Achter de deur hoorde ik Joosts stem. ‘Tycho?’
‘Ja, Tycho, verdomme. Ga je me binnenlaten?’
‘Nee. Niet zo lang die gasten buiten staan. Maar als je achterom komt kan je bij de buren het balkon opklimmen. Via de Ecoplaza. Ik doe open zodra je er bent.’
In de Ecoplaza liep ik meteen door naar achteren. Een meisje en een jongen in paarse polo’s zaten op de brandtrap te roken. Zonder iets te zeggen liep ik ze voorbij de tuin in, om vandaar de achtergevels te bekijken. Joost’ huis was twee tuinen verder. Ik beklom de trap weer, plaatste met een korte knik naar de paarse polo’s mijn handen op de railing, zette mijn voeten erbij en ging staan. Ik liet me voorover vallen en pakte de top van de tuinmuur beet. Met een sprongetje zwaaide ik één been over de muur, wierp een laatste blik op de polo’s, die nog altijd niets gezegd hadden, en liet me in de tuin van de buren vallen.
Ik had de grond nog niet geraakt, of de tuindeuren werden al opengegooid. Een vrouw van halverwege de vijftig stormde naar buiten. ‘Wat moet dat hier?’, schreeuwde ze. Zonder het antwoord af te wachten ging ze verder: ‘Nu is de maat vol. Hoe vaak moet ik het zeggen? Jullie blijven uit onze achtertuin…’
Terwijl ze stond te foeteren, keek ik onderzoekend naar de volgende muur. Deze was ook goed te beklimmen, maar er waren inmiddels makkelijkere manieren om boven te komen. ‘Prima, mevrouw,’ zei ik. ‘Ik ben al weg.’
Door de tuindeuren liep ik haar huis in. De vrouw haalde naar me uit, maar ik was haar al voorbij en rende de trap op naar boven. Op de overloop kwam een naakte man net de badkamer uit. Hij was bezig met een handdoek zijn haar droog te wrijven. Toen hij mij zag draaide hij zich om, liep de badkamer in en sloeg de deur dicht. Beneden hoorde ik de vrouw met de politie bellen.
Door de slaapkamer - onopgemaakt bed, verfrommelde onderbroek aan het voeteneind - liep ik het balkon op. Vanaf daar kon ik Nigeriaan nummer 1 in de steeg zien staan. Even later stond ik op het balkon van Joosts huis. Toen ik aanklopte, werd ik meteen binnengelaten.
Joost was niets veranderd. Tikkeltje ouder en een tikkeltje breder, maar hij zag er nog net zo gespeeld nonchalant en streetwise uit als de tiener die ik voor het eerst, vijf jaar geleden, in de Haarlemmer tegen het lijf was gelopen. Totdat ik hem op zijn bek had geslagen, natuurlijk, toen piepte hij wel anders. Maar later had ik hem beter leren kennen, en Joost Parmentier was geen mietje. Geen vechtersbaas, maar ook geen mietje.
En ook geen kakker. Geen idee dus, waarom hij een golfclub vasthield. Het had vast iets te maken met die vier gasten buiten.
‘Golf?’, vroeg ik. ‘Dat je lid bent geworden van het corps is tot daaraantoe, maar golf?’
Hij haalde zijn schouders op. ’Tijd niet gezien, Tycho.’
‘Ik was op zoek naar mezelf.’
‘In het Vreemdelingenlegioen?’
‘De cursus Frans voor beginners zat al vol.’
‘Maar de cursus vuile karweitjes opknappen voor Macron nog niet?’
‘Daar is altijd plek.’
‘En, iets nuttigs geleerd?’
‘Ik kan van 2000 meter een blikje van een hek af schieten, als het niet te hard waait. En ik spreek een klein woordje Edo.’
‘Edo?’
‘Nigeriaans voor beginners.’
‘Handig.’
‘Het eerste of het laatste?’
Joost lachte kort, maar zonder humor. ‘Don’t get your hopes up, Tycho.’
Hij ging me voor naar de keuken. ‘Wat kom je eigenlijk doen?’
‘Ik hoorde dat je een straatfeest had gegeven. Ik vroeg me af of het wel goed met je ging.’
Hij hield een bijna lege koffiepot omhoog. ‘Koffie?’ Hij verdeelde het restje over twee bekers en begon nieuwe te zetten. Zijn handen trilden. In het licht van de keuken vielen ook de wallen onder zijn ogen op.
‘Wanneer heb jij voor het laatst geslapen?’, vroeg ik.
‘Geslapen?’ Hij dacht even na. ‘Het is nu zondag, toch?’ Hij telde op zijn vingers terug. ‘Vrijdag. Donderdag op vrijdag. Hier en daar nog een uurtje.’
Ik nam een slok koffie en mijn gezicht vertrok. ‘Door die gasten buiten?’
Joost knikte.
‘Wat moeten ze van je?’
‘Van mij niets. Het is ze om Monifa te doen.’
‘Monifa?’
Joost knikte. ‘Monifa, ja.’
‘Ik ben er even uit geweest, Joost, maar wat is monifa? Geld? Doekoe?’
Joost glimlachte vermoeid. ‘Nee, Monifa is een meisje. Een Nigeriaans meisje. Ze is net zo oud als Tessa - je kent Tessa nog wel, toch?’
‘Ja, je zusje, toch? Hoe oud is die nu?
‘Zestien. Tes werkt bij dat Grand Café aan het Galgewater, Vlot. Toen ze woensdagavond aan het werk was, kwam Monifa binnen, met een foute gast. Tessa raakte met haar aan de praat, en ze vertelde dat ze op weg was naar Antwerpen, om daar als au pair te gaan werken. Zij had er zin in, maar Tessa vertrouwde het niet.’
‘En toen?’
‘Toen heeft Tessa die gast gevraagd of hij Monifa in Antwerpen voor hoer wilde laten spelen. Hij ontkende natuurlijk bij hoog en laag - Monifa ging gewoon als kindermeisje aan de slag bij een gezin in Antwerpen, nu waren ze nog even de toerist uit aan het hangen. Daar is Tessa toen opgedoken. Dan kon Monifa vast nog een paar dagen bij haar in Leiden blijven? Daar voelde Monifa ook wel wat voor. Ondertussen had Tes mij gebeld, en toen die gast vervolgens probeerde Monifa weer in de auto te krijgen, is ze bij mij achterop gesprongen en zijn we er met zijn drieën vandoor gegaan.’
‘Fuck, Joost. Vind je het gek dat die lui buiten staan? Je kan niet zomaar een pooier zijn hoer afpakken. Hoe hebben ze je trouwens gevonden?’
‘Monifa d’r mobiel. Ik had geen idee dat ze er een bij zich had. En toen ik er achterkwam was het al te laat.’
‘En dat feest gisteren?’
Joost bloosde zowaar. ‘Dat moest een afleidingsmanoeuvre zijn, maar dat pakte anders uit. Ik wilde een rel uitlokken. De bruine jeugd heeft niet zoveel humor, en de wokkies ook niet. Ik dacht, als ik een feest organiseer waar iedereen belachelijk gemaakt wordt, komen ze vanzelf verhaal halen. Dan worden die vier gasten buiten aangezien voor BLM’rs en kunnen ze ons niet meer in de gaten houden… Maar ik had buiten de politie gerekend - die waren er als de kippen bij.’
‘En als het wel gelukt was? Wat dan?’
‘Dan was ik er met Monifa vandoor gegaan.’
‘Waarheen?’
‘Antwerpen.’
‘Antwerpen?’
Joost knikte resoluut. ‘Ja. Naar haar madam. We gaan haar vrijkopen.’
‘En daarna naar de Vogeltjesmarkt zeker? Je kan niet zomaar een hoer vrijkopen. Weet je wel wat dat kost?’
’30.000 euro. Om en nabij.’
’30.000 euro. Alsof het niets is. En hoe kom je aan 30.000 euro?’
Joost zei niets, maar pakte zijn telefoon. Hij liet me een crowdfundingssite zien. Free Monifa, stond er, met filmpjes, foto’s en links. Het zag er een stuk gelikter uit dan de feestsites die ik eerder had gezien.
‘We hebben niet stilgezeten. En we zijn er bijna - nog 8.000 euro te gaan, en we zijn pas gisteren begonnen.’
Ik pakte Joost’ telefoon en klikte op een van de links. Een achtergrondverhaal dat beschreef hoe Nigeriaanse meisjes naar Europa worden gelokt met de belofte van werk en geld, en hoe ze pas later, als ze al geld geleend hebben voor de reis, ontdekken dat ze dat bedrag, inclusief rente, terug moeten verdienen in de prostitutie. Het vuile spel wordt gespeeld door ronselaars in Nigeria die het geld voor de reis voorschieten en ‘madams’ in Europa die ervoor zorgen dat het geld wordt terugverdiend, plus nog een beetje voor henzelf.
Er was ook een filmpje van Monifa. Een zwart tienermeisje met grote zilveren oorbellen en een uitgekamde afro keek onbevangen in de lens. ‘Hi,’ zei ze. ‘I’m lucky.’ Daarna begon ze luid en aanstekelijk te lachen. ‘It is my name: Monifa. In Nigeria, this means: I am lucky. And I am! I will tell you…’
Vervolgens vertelde Monifa hoeveel geluk ze had gehad in haar leven. Ze kwam uit een dorpje in de buurt van Benin city, de hoofdstad van de Nigeriaanse deelstaat Edo. Haar ouders waren overleden toen ze twaalf was - ‘But I am lucky!’ Waarom? Omdat haar ouders vlak voor hun overlijden Monifa al hadden uitgehuwelijkt, zodat ze onder de pannen was. Aan een oude dronkaard, weliswaar, die haar regelmatig aftuigde, maar: ‘I am lucky!’ Waarom? Omdat hij meestal te dronken was om haar echt pijn te doen, en ook nog eens oud en impotent. Bovendien was hij al na twee jaar overleden, waardoor zij naar zijn broer in Lagos moest. ‘But I am lucky - he organized for me to travel to Europe, where I can work and send him money.’ Weer die aanstekelijk lach. ‘What I did not know,’ ging Monifa serieus verder, ‘was how I was going to make that money.’
Er was ook een filmpje van Joost’ zusje Tessa, waarin ze vertelde hoe ze Monifa en haar begeleider was tegengekomen en hoe ze het meteen al niet vertrouwde. En tot slot een filmpje van de Nigerianen die ik eerder buiten had zien staan. Schokkerige, handheld beelden waarin eentje aan de deur naar Monifa vraagt. Eerst beleefd en vriendelijk, maar als Joost hem niet binnenlaat wordt het snel grimmiger. Uiteindelijk probeert de man zich naar binnen te vechten, waarop de telefoon uit Joost’ hand valt en je van de grond af ziet hoe Joost de man met een golfclub van zich af slaat. Daarna zie je hoe de vier mannen vanuit de straat en de steeg het huis in de gaten houden. Op de site zag je rechts in beeld hoeveel geld er al was gegeven, en wie de laatste donaties hadden gedaan. Tien minuten geleden was er nog 100 euro gedoneerd.
Ik scrolde door de reacties onderaan de pagina. Een hoop dubbele achternamen waarvan ik er veel herkende, dikke donaties, en verontwaardiging alom.
‘Bleeding hearts,’ zei ik.
‘Hoezo?’
‘Evert Jan van Bartlief thoe Hindeloopen schrijft “Ik hoop dat Monifa wat moois van haar leven kan maken” en doneert 250 euro. Als Evert Jan naar de hoeren gaat, kost het hem een stuk meer, dus dit kon hij wel lijen.
‘En toe maar - Bregje van Henegouwen tekent voor maar liefst 500 euro.’
‘So?’, vroeg Joost.
Ik haalde mijn schouders op. ‘Het is een smerige wereld. Eén meisje redden gaat daar echt niets aan veranderen.’
‘Maar wel voor haar.’
Ik haalde opnieuw mijn schouders op, maar Joost liet het er niet bij zitten. ‘Oké. Dan laten we die gasten haar meenemen naar Antwerpen. Daar wordt ze net zo lang verkracht tot ze doet alsof ze het lekker vindt. Daarna gaat ze twintig mannen per nacht afwerken tot ze haar schuld heeft afbetaald. Of we rijden nu naar Antwerpen, vinden haar madam en kopen haar voor 30.000 euro vrij. Dan hebben we haar dat lot in ieder geval bespaard.’
Ik begon te lachen.
‘Wat zit je nou stom te lachen?’
‘Voor 30.000 euro naar de hoeren. Dat belooft wat.’
Een half uur later glipte ik het huis uit. Via het dak nu, zodat ik noch vanuit de straat, noch vanuit de steeg te zien was. Ik vervloekte de nette schoenen die ik die ochtend had aangetrokken, maar ondanks de gladde leren zolen lukte het me om klauterend over de daken de Wolsteeg te bereiken. Vijf minuten later belde ik voor de tweede keer die dag bij mijn oude huis aan.
De borrel was inmiddels in volle gang. Ik vond de sjaars in de keuken. Hij deed alsof hij aangeschoten was, maar toen ik hem vertelde hoe hij mij en Joost ging helpen ontnuchterde hij snel.
Het tweede waar ik voor kwam, was vervoer. Bij gebrek aan een kapstok gooide iedereen op dagen als deze zijn jas achterin de gang op een grote hoop. Al snel vond ik er een met portemonnee en autosleutels nog in de zakken. Ik trok de non-descripte, donkerblauwe jas aan, groette mijn huisgenoten opnieuw en liep naar buiten.
Het was de jas van Van Kemenade, las ik op zijn rijbewijs. Dat kon slechter. Volgens het kentekenbewijs reed hij een Range Rover. Ik sloeg de hoek om naar het Rapenburg en zag er meteen een paar staan. Op goed geluk drukte ik op het knopje van de automatische deurvergrendeling. Aan de overkant flitsten alarmlichten aan. Ik glimlachte. Het liep gesmeerd. Comme du papier à musique.
Bij de Gamma kon ik rustig aan doen. Het was nog lang niet donker, en de winkel sloot pas om zes uur. Ik pakte waar ik voor kwam - twee rollen ducktape, een spade, en een groot stuk landbouwplastic - en liep daarna op goed geluk tussen de schappen door, of ik nog wat nuttigs tegenkwam. Mijn blik viel op een Milwaukee accu-minibradtacker. ‘Krachtige spijkermachine met de kracht om nagels in hardhouten flush te laten zinken,’ las ik op de verpakking. ‘Altijd klaar voor gebruik dankzij de “ready-to-fire”technologie.’
‘Ready-to-fire’ - die kon ik natuurlijk niet laten liggen.
Ik wachte op het vallen van de nacht. Ik had de auto achter de rechtenfaculteit geparkeerd, vlakbij het begin van de Ketelboetersteeg. Ooit had ik hier gestudeerd. Tot zover mijn gedachten daarover.
Ik zakte weg in het comfortabele leer van de Range Rover, modificeerde mijn nieuwe spijkerpistool en at een bakje huzarensalade. Ondertussen dacht ik aan Esmé.
Ze zal niet veel ouder zijn geweest dan Monifa. Haar leeftijd had me niet echt bezig gehouden, snuivend en zwetend onder de klamboe. Pratend, ook. Al verstond ze er geen snars van, de gesprekken hadden er niet onder te lijden gehad. Je hart uitstorten bij een Braziliaanse hoer die je niet verstaat - ik kan het iedereen aanraden.
Die maanden waren een waas geweest. Een zuivering. Of een cauterisatie. Wat doet het ertoe. Totdat ik op een dag wakker werd, met het warme lichaam van Esmé tegen me aangekruld en haar geur in mijn neus, en me afvroeg: wat zou ze van Leiden vinden? Toen wist ik: het is tijd om te gaan. Ik had voor de laatste keer afgerekend, ook al had ze het geld niet willen aannemen, en was vertrokken.
En nu bevond ik me opnieuw onder een klamboe, bedacht ik me, kijkend naar de nacht die intussen over Leiden gevallen was. Alleen was ik nu de mug.
Stipt op tijd kwam de sjaars de hoek omlopen, nerveus om zich heen kijkend. Ik liet het raampje van de auto zakken en wenkte hem.
‘Doe maar alsof je moet pissen.’
‘Ik moet ook pissen.’
‘Nog beter. Weet je nog wat je gaat doen?’
Hij slikte zijn zenuwen weg en knikte vastberaden. ‘Ik heb ruzie met Parmentier, en ga voor zijn huis staan schelden tot hij open doet. Dan ga ik naar binnen, maar laat de voordeur achter me openstaan.’
‘Heel goed.’
‘Maar ik heb helemaal geen ruzie met Parmentier. Wat moet ik dan zeggen?’
‘Dat maakt niets uit. Laat je maar lekker gaan.’
Hij ritste zijn gulp dicht. ‘Oké. Me lekker laten gaan. Dat moet lukken. En dan?’
‘En dan?’ Ik glimlachte. ‘Niet in de weg lopen.’
Hij had aan één woord genoeg, de sjaars, dat moet gezegd. De eerste ‘Parmentier, klootzak, ik kom je halen’ kwam er nog met enige schroom uit, maar daarna ging het als vanzelf. Adoratie en afgunst, liefde en haat - die liggen minder ver uit elkaar dan je zou zeggen. Steeds harder tierend zwalkte de sjaars de Ketelboetersteeg in. Halverwege botste hij bijna tegen Nigeriaan nummer één op, die nog altijd op de uitkijk stond. Nu was het mijn beurt. Terwijl nummer één de dronkemansgang van de sjaars nakeek, rende ik op kousenvoeten de steeg door, totdat ik vlak achter hem stond. In mijn rechterhand hield ik mijn schoenen vast, in de linker het spijkerpistool en de ducktape. Echt stil hoefde ik niet te zijn, want hij was de komst van de sjaars al aan het doorbellen naar nummer twee. Ik zette mijn schoenen zachtjes neer en wachtte totdat het gesprek was afgerond. Toen zei ik op vriendelijke toon: ‘Kóyo.’
Hij was snel, maar ik was sneller. Molenwiekend tolde hij om zijn as, maar daar had ik juist op gerekend. Mijn vuist raakte zijn slaap en hij zakte in elkaar. Ik ving hem op en sleepte hem de tuin in - zoals afgesproken had Joost de poort van het slot gehaald. Ik liet de bewusteloze man op de grond zakken en plakte zijn mond af met ducktape. Daarna knevelde ik zijn armen en benen en legde hem dwars voor de poort, als een levende deurstopper. In een ingeving pakte ik mijn spijkerpistool. Met zeven snelle schoten door zijn trainingsjasje niette ik hem aan de poort vast. Toen pas dacht ik aan mijn schoenen, die nog in de steeg stonden. Dat krijg je van ingevingen. Vanuit de Breestraat hoorde ik de sjaars schreeuwen dat Joost Parmentier een loser was en dat hij geneukt ging worden.
In het huis waren alle lichten gedoofd. Joost liet me binnen door de achterdeur. Achter hem stonden Monifa en Tessa. Monifa met een rugzakje op, Tessa met een hockeystick in de hand. Ik knikte naar de tuin. Als antwoord hield Joost zijn golfclub omhoog. Bij de voordeur klonk het gebons van de sjaars. We konden beginnen.
Terwijl Joost met de meisjes de achtertuin in sloop, rende ik op kousenvoeten door het huis naar de hal. Zo snel en zo stil ik kon schoof ik de banken en stoelen waarmee de deur gebarricadeerd was aan de kant. Ondertussen nam in de Breestraat de geestdrift van de sjaars almaar toe. Nu Joost klaarblijkelijk niet van plan was om open te doen, moest zijn huis eraan geloven, riep hij: ‘Ik ga je huis neuken, Parmentier. Moet je opletten…’ En warempel, tussen de gleuf van de brievenbus verscheen een piemel. ‘Ik neuk je huis, Parmentier. Ik ga je helemaal uitwonen. Ik ga komen in je wonen…’
Ritmisch bewoog de slappe piemel heen en weer in de brievenbus. Even vroeg ik me af of hij een stijve zou krijgen en klem zou komen te zitten, maar voordat het zover was, was de weg naar de voordeur al vrij. Ik trok de deur open en deed een snelle pas naar achteren, zodat ik van de straat niet te zien was.
‘Godverdomme,’ riep de sjaars verrast, maar niet van zijn stuk gebracht. ‘Zit ik net lekker je huis te neuken, doe je de deur open, Parmentier.’ Hij wierp een haastige blik over zijn schouder, borg zijn piemel op en snelde naar binnen. ‘Ze komen eraan.’
Nauwelijks had hij het gezegd, of nummer twee stormde de hal in. Dat was dapper, maar vooral stom. Doordat ik eerst de sjaars in veiligheid moest brengen stond ik er niet ideaal voor, maar goed genoeg om hem met een linkse opwaartse laag in de maag te raken. De man klapte voorover, waarna ik het met een elleboogstoot tussen de schouderbladen kon afmaken.
De sjaars begon iets te zeggen, maar met een handgebaar legde ik hem het zwijgen op. Buiten klonken voorzichtige voetstappen. De voordeur werd een stukje verder opengeduwd. De man op straat fluisterde de naam van zijn maat, maar die lag knock out aan mijn kousenvoeten. In de deuropening verscheen de loop van een pistool. Het licht van de straatlantaarns weerkaatste koud op het zwarte metaal. Ik hief mijn spijkerpistool en wachtte af.
Met een plotselinge duw werd de deur wijd opengegooid. De man bracht zijn pistoolhand omlaag om de hal onder schot te nemen, maar ook hij had buiten de waard gerekend. Althans, buiten Tycho motherfucking Goedhard en zijn spijkerpistool.
Een spijkerpistool is geen precisiewapen, dus moest ik het niet op één schot laten aankomen. Ik haalde zo snel en zo vaak ik kon de trekker over, in een waaier richtend op zijn pistoolhand. Het was behelpen, maar het resultaat overtrof mijn stoutste verwachtingen.
De eerste paar spijkers troffen geen doel. Een losgezongen deel van mijn bewustzijn volgde hen in slow motion op hun vlucht naar buiten, waar ze vonkend afketsten op het asfalt van de Breestraat, terwijl de pistoolhand de afdaling inzette. Daarna sloegen een aantal spijkers zich met doffe klappen diep in het kozijn. Een spoor van kleine kraters verscheen in het hout, telkens een stapje dichterbij de nog altijd dalende pistoolhand. Tot die hand met een plotselinge klap van richting veranderde, de tijd weer haar normale beloop nam en de hal met een jammerlijk gekrijs gevuld was. Ik liet mijn spijkerpistool zakken en overzag mijn werk.
Impotent en ongebruikt lag zijn wapen op de grond. De hand die het zojuist had vastgehouden zat aan het deurkozijn vastgenageld. Ik raapte het pistool op en duwde de loop onder zijn neus. ‘Be quiet.’
Met opengesperde ogen keek de man me aan, maar het gekrijs hield op. Ik bekeek zijn hand. Twee stroompjes bloed sijpelden donker glansend over zijn bleke handpalm omlaag. Twee keer raak geschoten, dus. Niet slecht. Hij had geluk dat het dunne spijkers waren, en dat ik zijn handpalm had geraakt in plaats van zijn vingers of pols. Nu was het niet veel meer dan een schram, eigenlijk. Met een ruk trok ik zijn hand los van het kozijn.
De man gaf een korte gil. Met een tik tegen de slaap met het handvat van het pistool wenste ik hem welterusten. Ik sloot de voordeur en bond de polsen van de uitgeschakelde gangsters met de ducktape achter hun rug. Om het bloeden te stelpen plaatste ik een prop plakband in de doorkliefde handpalm van gangster nummer drie. Ik vouwde zijn vingers eromheen tot een vuist en verbond het geheel met een paar lagen tape. Dat moest voorlopig maar genoeg zijn. Tot slot knevelde ik de twee, ook met ducktape. Handig spul, dat ducktape.
Ik ontlaadde het pistool en stak het magazijn in mijn broekzak.
‘Heb je die niet nodig?’, vroeg de sjaars. Ik meende een lichte trilling in zijn stem te horen, maar hij hield zich goed. Ik schudde mijn hoofd. Nee, die had ik niet nodig. Aan mijn spijkerpistool had ik meer dan genoeg. Bovendien waren we niet in het wilde westen, maar in het centrum van Leiden.
Uit de achtertuin klonk een hoge gil. Met mijn spijkerpistool in de ene en het lege pistool in de andere hand rende ik het huis door. Mijn bewustzijn vernauwde zich alweer, zoals alleen actie dat kan doen. Een deel van mijn brein bereidde me voor op wat ik aan zou treffen en hoe ik erop zou reageren. Het andere hield het hier en nu in de gaten: de haastige voetstappen van de sjaars achter me. Het gekletter van de emmer die hij omstoot in de keuken. De achterdeur die op een kier is blijven staan. Tes en Monifa, elkaar vastklampend in een verre hoek van de tuin. De tijd staat bijkans stil. In een oogwenk overzie ik de tuin en wat me te doen staat.
Niets. Joost had alles onder controle. Zijn golfstick dreigend geheven stond hij voor de laatst overgebleven Nigeriaan, die aan zijn voeten op de grond lag, één arm gestrekt en één gebogen, de hand onnatuurlijk bungelend voor het jammerende gelaat.
Een kwartier later zaten we met zijn allen in de Range Rover. Dat wil zeggen, wij zaten. Achter ons lagen de vier Nigerianen, als sardientjes op elkaar gepakt in de kofferbak. De sjaars werd als eerste afgezet. Hij ging met tegenzin, maar toen Joost hem uit de auto nariep dat hij het goed had gedaan, draaide hij zich in het schijnsel van de koplampen om en stak zijn beide duimen in de lucht. Daarna maakte hij een neukbeweging en riep: ‘Ik ga je huis neuken, Parmentier!’
Tessa en Monifa zetten we af in Warmond, bij het huis van Joosts moeder. Monifa bedankte me met een stralende lach, alsof we een dagje naar de Efteling waren geweest. Tessa drukte Joost op het hart voorzichtig te doen, en liep zonder verder iets te zeggen of me ook maar aan te kijken met Monifa naar het huis.
‘Leuk zusje,’ zei ik.
‘Ze vertrouwt je niet.’
Ik moest even nadenken. Oh ja. Dat gedoe destijds, met Erik en Sophie. Ik kon het haar niet echt kwalijk nemen. Niet lang daarna was ik naar Marseille afgereisd. Ik draaide de snelweg op. Joost moest kennelijk aan hetzelfde denken.
‘Waarom ben je eigenlijk gegaan?’
Ik dacht een tijdje na. Achterin kreunde een van onze passagiers. Na een poosje antwoordde ik: ‘Het was dat of mezelf van kant maken.’
‘Dat is geen antwoord op mijn vraag.’
Ik haalde mijn schouders op. Het was het enige antwoord dat ik had.
Ik dacht dat Joost in slaap was gevallen, maar opeens zei hij: ‘Die keer in de Haarlemmer, toen we elkaar voor het eerst ontmoetten…’
Ik glimlachte bij de herinnering. ‘Toen we gingen vechten.’
‘Jij ging vechten. Ik ging ervandoor.’
‘Tot ik je te pakken had. Toen moest je wel.’
Joost schudde zijn hoofd. ‘Ik heb niet gevochten. Jij sloeg me in elkaar. Tot Leo kwam.’
Ik knikte. ‘Leo, ja. Die kon pas vechten.’
‘Klopt, maar daar heb ik het nu niet over. Wat ik wil weten is: waarom wilde je toen met me vechten?’
Ik keek in de achteruitkijkspiegel. De snelweg was nagenoeg leeg. Weer dacht ik dat Joost in slaap was gevallen, tot hij me vroeg: ‘Sloegen ze daar wel terug? In het vreemdelingenlegioen?’
Een tijdje wel, ja, dacht ik. In het begin. Maar na verloop van tijd had ook dat zijn glans verloren.
Bij Hazeldonk, vlak voor de grens met België, haalde ik een kop koffie. Joost was eindelijk echt in slaap gevallen. In het licht van wat komen ging was dat maar beter ook. Joost was geen mietje, maar kon ook wel eens principieel uit de hoek komen. Dat moesten we nu niet hebben.
De Range Rover snorde zachtjes. Een van de mannen in de achterbak verplaatste zich en de andere drie protesteerden met gesmoord gekreun. Ik dronk mijn koffie en doorzocht Google maps. Even later grimlachte ik tevreden. Het Groot Schietveld. Hoe toepasselijk.
Een half uur later reed ik met gedoofde koplampen over de Vlaamse hei. Het was een maanloze nacht, maar het schijnsel van de sterren was genoeg om mijn weg bij te vinden. Antwerpen was vlakbij - je kon de rode gloed boven de stad zien hangen - maar deze plek was van God en alleman verlaten.
In het duister tekenden zich de contouren van een bos af. Eenmaal tussen de bomen ontstak ik de koplampen en verliet het zandspoor.
Ik parkeerde de auto bij een open plek in het bos. Zacht sissend ging de achterklep omhoog. Alleen de oogwitten van de vier gangsters waren in het donker zichtbaar. Ik trok de bovenste uit de auto en sleepte hem naar het licht van de koplampen. Toen ik even later terugkeerde met de schep was hij bezig weg te tijgeren. Ik trok hem aan zijn enkels terug, draaide hem op zijn rug en liet hem het pistool zien. ‘Understand?’, vroeg ik.
Hij knikte. Ik trok het plakband van zijn mond. ‘If you shout, I will kill you. If you try to run, I will kill you. Do you understand?’
Hij knikte opnieuw. Ik sneed het plakband rondom zijn polsen door. Daarna maakte ik zijn benen los. Hij ging zitten, wreef over zijn armen en keek me aan. ‘What do you want?’ Zijn stem was hoog en trilde een beetje, alsof hij op het punt stond te gaan huilen. Ik gebaarde met het pistool dat hij moest gaan staan. Hij draaide op zijn knieën en kwam moeizaam omhoog. Opnieuw vroeg hij wat ik van hem wilde. Ik reikte hem de schep aan. ‘Start digging.’
Ongelovig keek hij me aan. Ik gebaarde naar de grond voor hem. ‘Dig.’
De grond gaf makkelijk mee. Na een paar scheppen stopte hij en keek me aan. ‘What do you want?’, vroeg hij opnieuw. Ik schudde mijn hoofd. ‘Save your energy. Dig.’
Hij ging door met het scheppen in de zanderige aarde. Af en toe wierp hij een nerveuze blik op het pistool. Ik liet de loop een eindje zakken en wachtte op zijn zet.
Die liet niet lang op zich wachten, en was beter dan ik verwachtte. Hij deed alsof hij voorover viel, pakte in zijn val de steel van de schop met twee handen beet en - en dat was het mooie ervan - in plaats van ermee te zwaaien, zoals de meesten zouden doen, stootte hij de schep als een speer in de richting van mijn pistoolhand, zodat ik hem niet meer onder schot kon houden. Dat gaf hem een opening om mij aan te vliegen. Ik zei het al, het was echt goed gedaan. Maar niet goed genoeg.
Omdat al zijn aandacht gericht was op mijn pistoolhand, had hij niet gezien hoe mijn linkerhand het spijkerpistool uit de achterband van mijn broek had getrokken. Die kreeg hij pas in de gaten toen ik twee spijkers in zijn bovenbeen plaatste. Te laat, dus. Onwillekeurig greep hij naar zijn been, waarop ik hem met een goed geplaatste klap op het hoofd weer in het gareel kon brengen.
Nu de onderlinge verhoudingen duidelijk waren gemaakt, liet ik hem, kreunend en strompelend, een gat van ruwweg 60 bij 180 centimeter graven. Toen het een schopblad diep was, dwong ik hem aan het korte eind van het gat op zijn knieën. Ik bond zijn handen achter zijn rug met een streng ducktape, duwde hem voorover in de zachte aarde en bond ook zijn enkels aan elkaar. Daarna draaide ik hem op zijn rug.
Ik hurkte naast zijn hoofd aan het hoofdeind van zijn ondiepe graf. Hij zag eruit alsof hij het op een gillen ging zetten. Begrijpelijk, gezien de omstandigheden, maar ik was bang dat Joost wakker zou worden van zijn gekrijs. Dus boog ik me voorover en zei: ‘Be quiet. Die like a man - not a squealing pig.’
Een half uur later sleepte ik de tweede Nigeriaan het schijnsel van de koplampen in. Toen hij het vers gedolven graf van zijn voorganger zag, raakte hij in paniek. Dat vergde een iets andere aanpak, maar het uiteindelijke resultaat was hetzelfde.
Nummer drie idem dito.
Het werd een lange nacht. Tegen de tijd dat nummer vier in zijn graf lag, keurig naast de andere drie, begon de ochtend te gloren. Ik had inmiddels behoorlijk honger. Ook al had ik al die graven niet zelf hoeven delven, het was toch behoorlijk inspannend geweest. Ik was, kortom, niet zo vlijmscherp meer. Het kwam dan ook als een totale verrassing toen ik zelf opeens op mijn rug lag, met een woedende Joost schrijlings en schreeuwend bovenop me.
‘Wat heb je gedaan, Tycho?’, gilde hij, me aan mijn jas optillend en tegen de aarde aan slaand. ‘Wat heb je gedaan?’
Dat ik begon te lachen maakte het er niet beter op. Woedend schudde hij me door elkaar, wat me alleen maar harder deed lachen.
‘Wat zit je nou te lachen, jij gevaarlijke gek?’ Hij tilde me nog een keer op, gooide me hard op de grond en ging staan. Terwijl ik op adem kwam liep hij naar het graf van nummer vier. Even was het stil. Toen prevelde hij: ‘Godverdomme, deze leeft nog.’ En daarna, harder: ‘Je hebt ze toch niet levend begraven?’
Ik kwam overeind en ging bij Joost staan. De laatste Nigeriaan, languit liggend in zijn graf, keek angstig naar ons op. ‘Nee, Joost, ik heb ze niet levend begraven. Ik heb ze helemaal niet begraven.’
‘Wat had je gedacht, dan?’, vroeg ik. ‘Dat we gewoon langs zouden gaan bij de hoerenmadam, 30.000 euro zouden aftikken, dat Monifa dan vrij zou zijn en iedereen voor de rest even goede vrienden?’
We reden over de ring van Antwerpen. De eerste stralen van de zon weerkaatsten op het groene dak van het sportpaleis. De vier Nigerianen lagen weer in de achterbak, geknecht en gekneveld, maar levend en wel. Joost haalde zijn schouders op. ‘Zoiets, ja.’
‘Nou, niet dus. De madam is maar het topje van de ijsberg. Achter haar zit een heel netwerk en vooral heel veel geld. Politici, politie, ambassademedewerkers. Hier worden veel mensen rijk van. Als uitkopen een optie wordt, breng je dat in gevaar. Het gaat dus niet om Monifa, maar om het principe. Wie een enkeltje Europa koopt, betaalt die af door te werken. En anders niet.’
‘Anders niet?’
’Prostitutie is een gevaarlijk beroep. Niemand die gek opkijkt als een Afrikaanse hoer dood wordt gevonden in een Belgisch park. En niemand die echt moeite doet om erachter te komen hoe zo’n meisje is omgekomen.’
‘En hoe weet jij dat allemaal?’
Ik liet Joost mijn telefoon zien.
‘Internet? Zo ken ik er nog een paar.’
Ik schudde mijn hoofd. ‘Niet internet, interviews. Vannacht. Met onze vrienden achterin. Luister maar.’
Het is merkwaardig hoe coöperatief mensen worden als ze denken dat je ze anders af gaat maken. Het gevaar is natuurlijk dat ze maar wat gaan verzinnen om hun hachje te redden, maar ik had vier getuigenissen om met elkaar te vergelijken. Al met al ruim voldoende om een aardig dossier op te bouwen over het criminele netwerk dat Monifa uit Nigeria naar Europa had gebracht. Een crimineel netwerk, zo bleek, waar onder- en bovenwereld vloeiend in elkaar overliepen.
Joost luisterde heen en weer scrollend naar de opnames. Toen zei hij: ‘Mooi. Hier kan ik wel wat mee.’
Een uur later parkeerde ik de Range Rover in een afzichtelijk Antwerps straatje. Met twee koppen koffie en een uitsmijter achter de kiezen voelde ik me als herboren. Terwijl ik zat te ontbijten was Joost op zijn telefoon in de weer geweest met de opnamen. Geen idee wat hij ermee uitspookte, en geen behoefte om het te weten. Mijn aandeel in deze actie zat er zo goed als op. De rest was aan hem.
Ik deed de achterklep van de auto open en tilde het hoofd van een van de guys op, zodat hij het huis kon zien waarvan hij me vannacht het adres had gegeven. ‘This is the place?’
Hij knikte.
Joost belde aan. Een Zwart meisje in overmaats wit t-shirt deed open.
‘Is madam thuis?’
‘Madam slaapt nog,’ antwoordde het meisje. Toen zag ze ons en gaf een gilletje.
‘Maak haar maar wakker,’ riep Joost achter haar aan, want ze was al naar binnen gerend.
Terwijl het meisje ergens in het pand madam wakker aan het maken was, volgde ik Joost en de vier moeizaam lopende Nigerianen naar wat een woonkamer moest voortellen - een kale ruimte met een versleten nep-leren bank en een grote tv. Nadat de vier mannen op de bank waren gaan zitten, trok ik hen één voor één het plakband van de mond. Boven hoorden we gesmoorde stemmen, daarna voetstappen op de trap. De mannen op de bank ontweken elkaars blik.
Elke madam is ooit een hoer geweest. Misschien moet je ook een hoer geweest zijn, om een madam te kunnen zijn. Een bijzonder soort hoer, die het vak kil en compromisloos doorziet: Met neuken kan je geld verdienen, maar door mensen voor je te laten neuken kan je meer geld verdienen, met minder gedoe. Of ander gedoe. Een schraal geweten, in plaats van een schrale kut.
Dat deze madam ooit zelf achter het glas gestaan had, en bovendien genoeg klanten trok om zich omhoog te werken tot pooier, was niet direct evident. Ze was kort en dik en op geen enkele manier verleidelijk. Tegelijkertijd was ze formidabel. Zonder iets te zeggen liep ze de kamer binnen. Ondanks haar glimmende nachtjapon en sloffen van roze nep-bont straalde ze autoriteit uit. Ze keek naar de mannen op de bank en daarna naar ons. De mannen op de bank keken naar hun voeten.
‘Where is the girl?’, vroeg de madam.
Een van de mannen keek op en begon te praten, maar de vrouw deed een stap naar voren en gaf hem een klinkende klap op zijn wang.
‘Shut up, you fool.’
Daarna keek ze weer naar ons. ‘Where is the girl?’, herhaalde ze.
‘Het meisje komt niet,’ antwoordde Joost.
‘Het meisje moet werken,’ zei de vrouw. ‘Het meisje is me geld schuldig.’
Joost schudde zijn hoofd. ‘Het meisje is jou niets schuldig.’
De vrouw keek Joost aan. Haar ogen schoten vuur. ‘Ik ben een business woman. Ik heb haar reis naar Europa betaald, kosten voor haar gemaakt. Ik heb dit huis voor haar gehuurd, kleren voor haar gekocht. Wie gaat dat allemaal betalen?’
Joost haalde zijn schouders op. ‘Daar heb ik niets mee te maken. Het meisje ook niet.’
De vrouw keek Joost taxerend aan, en begon toen te lachen. Het kwam van diep, maar haar ogen lachten niet mee. Toen ze uitgelachen was, veegde ze de tranen die er niet waren uit haar ogen en zei: ‘Kleine jongen. Jij hebt geen idee wat je gedaan hebt. Je wil haar redden. Maar je kan haar niet redden. Niemand kan haar redden. En jou ook niet, als mijn mannen je te pakken krijgen.’
Ze leek het te menen, maar Joost was niet onder de indruk. Hij zei niets, maar hield zijn telefoon omhoog en liet een deel van de eerste opname horen, en vervolgens delen van de andere opnames. Namen van politici in Nigeria kwamen voorbij. Namen van hoertjes die de mannen hadden afgemaakt in Antwerpen omdat ze probeerden uit het vak te stappen. Namen van ambassadepersoneel in Brussel en Den Haag. Ik was grondig te werk gegaan, al zeg ik het zelf.
De madam hoorde het bewegingsloos aan.
‘Je mannen waren erg behulpzaam,’ zei Joost.
De vrouw deed een stap naar voren, maar Joost hield zijn hand omhoog. ‘Doe niet zo raar. Dacht je dat die opnamen alleen maar hierop stonden?’ Hij glimlachte naar de vrouw. ‘Heb je wel eens van een levensverzekering gehoord?’
Opnieuw moest de vrouw lachen, oprechter nu. ‘Kijk om je heen. Natuurlijk.’
Joost lachte niet met haar mee. ‘Deze getuigenissen, alles over jouw organisatie hier en je handlangers in Nigeria, staat opgeslagen in een blockchain-bestand dat gekoppeld is aan mijn digitale paspoort. Als ik doodga, gaat die informatie automatisch naar Interpol. Als het meisje doodgaat, gaat alles naar Interpol. Als hij…’ - Joost gebaarde naar mij - ‘doodgaat: Interpol. Dat is mijn levensverzekering. Mijn leven, zijn leven, het leven van het meisje. Begrepen?’
Het duurde even voor de vrouw antwoordde. Toen zei ze: ‘En mijn geld? Mijn investering? Ik ben een business woman.’
Joost schudde zijn hoofd. ‘Jij bent geen business woman. Jij bent alleen maar business, en zelfs dat niet.’
Dat was het wel zo’n beetje. Op weg naar huis liet ik Joost rijden. Ik had me in tijden niet zo content gevoeld. De beelden van de afgelopen twaalf uur speelden door mijn hoofd en vermengden zich met beelden van vroegere acties en vrouwen. Ik liet me erdoor meevoeren en viel nog voor de Nederlandse grens in slaap.
Ik droomde van Esmé. Ze wreef cocaine op mijn pik, maar toen was mijn pik opeens een telefoon waarmee ze door de kamer liep en me probeerde te bellen. Ik nam niet op, want er rende iemand mijn kamer in, mijn oude studentenkamer in Leiden. Pas toen ik hem de kamer uit had geslagen zag ik dat ik het zelf was. Dat viel me tegen, dat ik me zo makkelijk door mezelf uit mijn kamer liet slaan. De telefoon ging nog altijd over. Ik nam op, maar was te laat. Esmé had alweer opgehangen.
‘Easy, tiger.’ Joost keek van achter het stuur schuin omlaag naar de bobbel in mijn broek. ‘Fijn gedroomd?’
We stopten bij de benzinepomp voor het begin van de A44 in Wassenaar om te tanken en om de auto door de wasstraat te halen. Het landbouwplastic waarop we de vier guys hadden vervoerd propte ik in een vuilcontainer. Daarna controleerde ik de achterbak op bloedsporen. Wat ik vond poetste ik weg.
‘Wat ga je eigenlijk doen met die dertig duizend euro?’, vroeg ik toen we verder reden.
‘Die is voor Monifa,’ antwoordde Joost. ‘Die kan wel een startersfonds gebruiken.’
‘En al die kakkers die denken dat je haar ermee vrij hebt gekocht?’
‘Die mogen dat blijven denken. Dat is namelijk ook zo.’
De stad Leiden kwam in zicht. ‘Wat moet jij eigenlijk tussen die corpsballen? Niks voor jou, zou ik denken.’
Joost gaf geen antwoord. Ik dacht dat hij mijn vraag niet had gehoord, maar toen we nadat we de auto geparkeerd hadden even bleven zitten, uitkijkend over het Rapenburg, zei hij: ‘Ik ben lid geworden van het corps omdat ik het soort mensen wilde leren kennen dat mijn vader vermoord heeft.’
Aan de overkant liepen drie jongens voorbij met de zelfverzekerde tred van de corpsbal. Ik zou ze zo het Rapenburg in kunnen flikkeren. Trois balles en pleines tête.
‘En?’
‘Er zitten eikels tussen, maar ook aardige gasten.’
‘Net de echte wereld.’
Joost’ gezicht vertrok even. ‘Nou, zover zou ik niet willen gaan.’
‘Word je niet gek van alle aanstellerij?’ Ik gebaarde naar de drie jongens. ‘Die erbij lopen alsof de wereld van hun is, terwijl ze nog maar net kunnen pissen zonder dat mammie hun pik vasthoudt.’
Joost knikte. ‘Ja, dat. Maar tegelijkertijd is het een beetje alsof je in een nest vol puppies zit.’
‘Doe mij maar een nest vol hoeren,’ zei ik.
Joost schudde zijn hoofd. ‘Nee, ik bedoel… Puppies zijn dom en verwend, maar ook zacht en speels. Dat bedoelde ik. Dat is ook wel eens prettig.’
‘Doe mij dan toch maar hoeren. Dan weet je tenminste wat je krijgt.’
Joost keek me lang aan. Toen schudde hij kort zijn hoofd, en zei: ‘Als je iets koopt, krijg je niets. Maar misschien was dat juist de bedoeling.’
Ik liet het er maar bij zitten.
Maar later op de dag, nadat ik de jas van Van Kemenade met inhoud en al thuis had afgegeven en koffie had gedronken met de sjaars, die maar al te graag wilde weten hoe het avontuur met Parmentier was afgelopen, en over het Rapenburg terugliep naar het station, binnenkijkend bij de studentenhuizen, bastions van privilege en puppieplezier, en daarna dacht aan Esmé, en hoe ik er tot op het laatste moment op had gestaan dat ik haar betaalde, zelfs toen ze dat niet meer wilde, toen dacht ik: misschien had Joost wel gelijk. Misschien betaalde ik haar alleen maar, omdat…
Putain. Het was mooi geweest.