Een Kutklus aan de Kaag
Je treft me aan het eind van de middag op een verwaaide kade op Kaageiland, een rijkeluisdorpje op een eiland aan de noordkant van de Kagerplassen. Ik ben hier voor een kutklus - wat anders? - maar wel een kutklus met kanttekeningen, en dan heb ik het niet over mijn ondergoed, honey.
Op een boot, was me gezegd, en dat het een boot is valt niet te ontkennen - maar what the fuck voor schip is dit… Dat het over-de-top zou zijn, ala. Meer Côte d’Azur dan Kagerplas, uiteraard - geen platbodem voor de nouveau riche. Maar dan dit schip… Alsof Elon Musk crack heeft zitten roken, gestruikeld is over een zilveren dildo en dacht, hé, als ik mijn crackpijp nou eens vastlijm aan deze dildo, dan is dat een mooi bootje voor X, en next thing you know ligt daar aan de kade van Van Lent deze fuck-you-flottila, deze wit-glimmende, zilveren dildo’s afschietende torpedo-kruiser, vier verdiepingen verguld vaarvermogen, aangedreven door ketamine en kutzucht, at your service - oh sorry, nee, deze is alleen voor de rich en fuck you.
Maar goed, de rich en fuck you betalen doorgaans beter dan Willie de wiskundeleraar - wat me terugbrengt bij moi, Micky, zeker wel at your service, als je maar genoeg betaald tenminste, en dat doet de eigenaar van dit schip - anders stond ik hier niet. Maar niet, zoals je wellicht zou denken, als de high-society luxe escort die gegarandeerd zorgt voor een happy end, hoe sloppy de weg ernaar toe ook is, maar incognito, als een uitzendkracht voor een cateraar, dressed for the part in een oversized wit shirt en zwarte slobberbroek, met mijn haar in een half-uitgevallen knot en op kroegvieze gympen.
Aan mijn schouder hangt een katoenen tas van Loesje (‘studeren: leuker kunnen we het niet maken - wel duurder’) met daarin een paar seksloze zwarte pumps, waarin ik straks ga bedienen tijdens het 21-diner van een sjiekballetje uit naburige studentenstad Leiden. De vader van sjiekballetje in kwestie, eerder genoemde eigenaar van deze sloep, heeft mij ingehuurd, nu eens niet voor zichzelf, maar als een cadeautje voor zijn zoon - die hier niets van weet en ook niets van mag weten, overigens; ‘dat zou het effect alleen maar verpesten’ - op hem, of op de andere aanwezigen, dat laat zich raden.
Zoals afgesproken meld ik me bij de cateraar, die niet beter weet dan dat ik een uitzendkracht ben.
‘Je dacht het wordt een slaapfeestje?’
‘Slaapfeestje?’
‘Je hebt je pyjama nog aan.’
‘Ik…’
‘Jajajaja. Laat maar. Wat kan je wel?’
‘Wat kan ik…’
Het lukt me niet mijn zin af te maken. De man - hardloper-dun, kortgeschoren om zijn vroege kaalheid te verbergen, met spitse neus, priemende ogen en alle rust van een doorgesnoven knaagdier, foetert door:
‘Wat kan je niet: op tijd komen niet, je aankleden niet. Een zin afmaken niet. Wat kan je wel? Een bestelling opnemen? Bedienen? Tafels afruimen? Of alleen maar door je mond ademen?’
Ik sluit mijn mond.
Fred (ik noem hem Fred, want hij lijkt op een fret) kijkt op zijn horloge. ‘Godverdomme.’ Roept, zonder om te kijken: ‘Mireille?’
Mireille, die ik liever Rita noem, omdat zij de ritalin blijkt voor Freds ADHD, komt aanlopen - lopen, niet draven.
‘Ja?’ Rustige, take-no-bullshit stem.
‘Kan jij hier iets mee? Ze spreekt Nederlands, maar niet veel meer dan dat. Misschien een leuk bloesje aan, en achter de bar? Godverdomme. Heb ik weer. Vier mille aan eten en niets dan mongolen om me heen.’
Even later sta ik achter de bar met een leuk bloesje aan - als je een wit, gesteven, tot bovenaan dichtgeknoopte bloes met een zwart vlinderdasje leuk vindt, tenminste. Rita, die vaker met dit bijltje heeft gehakt, blijkt een koffer aan bloesjes, bloezen, schorten en vlinderdassen bij zich te hebben.
‘Zet de glazen klaar, en laat de champagne koud staan tot de klanten aan boord komen. En maak je geen zorgen om Tijno - die gaat goed op stress. Straks verdwijnt hij de keuken in, dan zie je hem de hele avond niet meer.’
Ahh, die Tijno, denk ik. Tijno Avelaar, de Ron Blaauw van de Bollenstreek. Jongste Nederlandse chef die een Michelinster kreeg, en daarna de jongste Nederlandse chef die ’m kwijtraakte, nadat hij een kritisch culinair recensent had afgetuigd met een rauwe zeebaars.
Dat verklaart ook Rita’s onverstoorbaarheid. Alhoewel. Tijdens het omkleden deed ze een double take op mijn extra gevulde Coco de Mer. Maar ze zei er niets van.
Ik sta achter mijn barretje en besef hoe blij ik ben dat dit niet mijn echte bijbaan is. Stel dat ik me hier in het echt stond uit te sloven voor - wat zou je hier eigenlijk voor krijgen? Twintig euro per uur? - voor twintig lousy euro’s per uur dus, in plaats van te LARPen dat ik een hitsige hotello ben. Nee dan liever een beetje cosplay. Werken is kut, maar kutwerk betaalt het best, en het is een stuk onderhoudender dan champagne inschenken.
Of eigenlijk, niet champagne inschenken, want er gebeurt nog bar weinig aan boord. Af en toe klinkt er een scheldkanonnade uit de keuken. Een paar echte studentenuitzendkrachten druppelen binnen en worden door Rita aan het werk gezet - echt werk, dus niet achter de non-actieve champagnebar, wat mij me doet afvragen of ze meer weet van mijn rollenspel dan ze laat blijken. Ook prima, anders moet ik straks nog afwassen.
Buiten is het inmiddels donker. Het valt me opeens op hoe stil het is aan boord. De hotello’s praten nauwelijks met elkaar en dan alleen op gedempte toon. Borden en bestek worden geruisloos uitgestald, en het tapijt op de vloer zorgt ervoor dat voetstappen noch verschuivende tafels en stoelen enig geluid maken. In de keuken is al een tijdje geen bom meer afgegaan, dus misschien is Tijno erin gebleven.
Dan gaat er buiten een bom af. Een harde knal, direct gevolgd door geknetter en een serie nog hardere knallen. De champagneglazen op mijn barretje rinkelen mee, mijn hart stokt. Dan licht boven de nachtzwaarte Kaag de lucht kaleidoscopisch op en besef ik dat het geen aanslag, maar vuurwerk is.
De deuren worden opengegooid. Vanaf het buitendek komt een uit zijn avondtenue barstende man met een jongensachtige grijns op zijn rood-aangelopen hoofd binnenstormen, de armen gespreid alsof hij de wereld wil omhelzen. ‘Champagne!’, roept hij, ‘Bij vuurwerk hoort champagne!’
Terwijl ik een fles uit de koeling pak roffelt hij enthousiast op de bar. Dat hij dit uit enthousiasme doet en niet uit ongeduld, weet ik uit ervaring; deze man is zo gewend om op zijn wenken bediend te worden, dat ongeduld hem vreemd is. Bovendien is hij gewoon een heel enthousiaste man. Of hij ook nog deugt, durf ik niet te zeggen - tegen zijn soort geld is doorgaans geen enkel moreel kompas opgewassen. Maar enthousiast is hij zeker, ook in bed. Met mij tenminste. Wat hij met zijn vrouw uitspookt, weet ik niet.
Ik zet de champagne voor me op de bar. Terwijl ik met mijn linkerhand de flessenhals vasthoud en met mijn rechter de gouden wikkel van de kurk draai, kijk ik hem aan, benieuwd hoe hij me zal begroeten. Maar voorlopig heeft hij alleen oog voor hoe mijn handen om de flessenhals blijven draaien. Pas als ik het ijzerdraadje waar de kurk mee geborgd is los aan het maken ben, me nu al verkneukelend over hoe ik zometeen met beide duimen de rand van de opgezwollen kurk zal gaan masseren, kijkt hij me aan. Zijn glimlach verdwijnt.
‘Micky - wat doe jij hier?’
‘Shh,’ antwoord ik met een knipoog, ‘you’re going to blow my cover.’
Buiten gaat een raket sissend de lucht in, gevolgd door explosie en vonkenregen. Rijk - want zo heet de man, naar een dooie acteur en de diepste wens van zijn ouders - kijkt over zijn schouder en herinnert zich weer waar hij voor kwam. Mijn eerdere voornemen vergeten, werk ik de kurk efficiënt los, tot zij met een droge knal de flessenhals verruilt voor mijn handpalm, waarna ik zonder te morsen de champagne inschenk. Rijk pakt twee glazen en loopt, de armen alweer zijdelings uitgestrekt, naar buiten. ‘Champagne!’, roept hij - maar niet voordat hij mij een laatste, licht vertwijfelde blik heeft toegeworpen.
Veel tijd om hierover na te denken heb ik niet, want buiten hoor ik tussen de knallen door het overdreven gelach en de kunstmatig lage stemmen waarmee jonge kakkers elkaar de maat nemen. Een plons, gejoel, iemand heft een lied aan, anderen vallen in. Als ik naar buiten kijk zie ik dat een rondvaartboot naast het schip stil is komen te liggen. Op het dak staan een stuk of dertig jonge mannen in rokkostuum. Sommigen zwaaien naar het achterdek, anderen staan aan de andere kant in het water te pissen, een enkeling heeft de broek laten zakken en toont trots zijn billen aan de ouders van de jarige. Uit een luik voorin het schip steekt het bovenlichaam van de kapitein, die druk gebaart dat iedereen van het dak af moet. De jongen met de blote billen geeft hier het eerst gehoor aan, niet uit voorkomendheid, maar omdat hij door zijn vrienden achterwaarts het water in wordt geduwd. Dan volgt de rest, en worden zwemmend de laatste meters naar het drijfpaleis afgelegd. De sjiekbalexpres is aangekomen.
Je zou verwachten dat als je op een spiksplinternieuwe superjacht wordt uitgenodigd voor het 21e-verjaardagsdiner van een van je beste vrienden, waar kosten noch moeite gespaard zijn om het je naar de zin te maken, met vuurwerk bij aankomst, de duurste champagne, wijn en Hollands gedestilleerd in overvloed, en een door de beste kok van Nederland bereid diner in het verschiet, je een beetje dankbaar bent. Of je tenminste zo gedraagt. Of in ieder geval je kleren aanhoudt. Zou je denken. Niet dus.
Terwijl ik bezig ben op het achterdek champagne uit te schenken aan de druipende feestgangers, houdt Rijk zijn welkomstspeech. Daarin wordt hij geholpen door een grapjas die het op zich heeft genomen de speech te vertalen, al is dat niet nodig, want zowel speech als vertaling zijn in het Nederlands.
‘Welkom, vrienden, clubgenoten, huisgenoten van Skillian, welkom aan boord van dit nog naamloze schip…’
‘Welkom, uitvreters, klaplopers, gelegenheidsvrienden van Skirrejan, die op het punt staan een deuk in mijn bankrekening te slaan waar een gemiddelde staat failliet aan gaat. Welkom op deze naamloze schuit. Gaat u verder, meneer Wellink.’
‘Hoezee voor de nestor,’ roept iemand. Vaderlijk legt Rijk een hand op de schouder van zijn vertaler, blijkbaar de huisoudste, ofwel ‘nestor’, van het studentenhuis van Skillian, en gaat verder met zijn speech.
‘Jullie weten natuurlijk, dat het ongeluk brengt om met een ongedoopt schip de zee op te gaan. Daarom verheugt het mij dat, zometeen, om de 21e verjaardag van mijn zoon en jullie vriend Skillian af te trappen, opdat hij eindelijk de veilige haven van de jeugd kan verruilen voor de woelige baren van het volwassen leven, dit schip eerst gedoopt zal worden, en wel door de mooiste vrouw van de wereld…’
‘Oké - de naamloze schuit heeft geen naam, en dat is geen porem want dan kan Skirrejan niet bootje varen. Daar gaat straks verandering in komen, en wel door het lekkerste wijf aanwezig…’
‘De bediening!’, roept een druipnatte vrolijkerd, wiens glas ik net voor de tweede keer gevuld heb.
‘Mijn echtgenote, Skillians stiefmoeder, jullie gastvrouw, mag ik haar aan jullie voorstellen: Eva Luna van de Zande.’
Rijk gebaart naar een van de twee trappen die aan weerszijden van het schip naar de hogergelegen dekken leiden. Halverwege de trap staat een vrouw van een jaar of dertig, built like a model, die nu op haar gebronsde blote voeten de trap af begint te lopen, zonder acht te slaan op het gefluit en gejoel van de jongens op het achterdek. Ze draagt een wit mantelpak met zwarte kantafwerking en een witte hoed met een brede rand. Onder de rand van de hoed glanst lang donker haar in het ledlicht van de trapverlichting. A high-class whore if I ever saw one. En ik kan het weten.
Als Eva Luna zich aan de zijde van haar man geschaard heeft, rond hij zijn speech af: ‘Skillian zal jullie zo een rondleiding geven op het schip, waarna wij elkaar zullen treffen op het voordek voor de plechtigheden. En misschien kunnen jullie daarvoor ook even wat droge kleren aantrekken… Maar eerst wil ik graag met jullie het glas heffen - op Skillian!’
De glazen gaan zo enthousiast de lucht in dat een regen van champagne op de gastheer, zijn vrouw en de vertaler neerdaalt. De vertaler grijnst breed, veegt een natte lok haar uit zijn gezicht en roept: ‘Polonaise! Skirrejan voorop!’
Hossend en zingend verdwijnen de jongens van het achterdek, een nat spoor op het teakhout achterlatend. Terwijl ik de achtergebleven glazen opruim, zie ik hoe Rijk de stoet met een brede grijns nakijkt. Hij trekt zijn vrouw tegen zich aan en zegt: ‘Fantastisch toch, schat?’
Joost Parmentier
De wereld is een raadselachtige plek, die voortdurend lastige vragen oproept. Wat was er voor de big bang? Is morele vooruitgang mogelijk? Overleeft de aarde de mensheid? Joost Parmentier, detective tegen wil en dank, heeft moeite met dit soort grote vragen. Daarom concentreert hij zich liever op het kleine: hoe ver ga ik vandaag hardlopen, […]
‘Fantastisch,’ spreekt ze hem na. Maar onder de rand van haar hoed gloeien haar ogen als kolen in de nacht. Als ze me ziet kijken, verandert de streep van haar mond in een kille glimlach. ‘Fantastisch,’ zegt ze nog een keer.
Binnen lijken de hotello’s gemist te hebben dat de apenheul net geland is. In geconcentreerde stilte worden de laatste voorbereidingen voor het diner getroffen. Met geometrische precisie worden vorkjes op de juiste afstand van borden gelegd, glazen op appèl gezet, stoelen ingeschoven of juist uitgetrokken, zodat alles glimmend en strak langs kaarsrechte banen staat opgesteld. Ondertussen trekt de polonaise kriskras door het schip. Elke keer dat ze langs de eetzaal razen, hebben de jongens minder kleren aan, totdat ze in hun pierenakie voorbij dansen. Als een van de jongens probeert een fles champagne mee te graaien, geef ik hem een pets op zijn billen. ‘Touché!’, roept hij uit, en daarna, lachend over zijn schouder terwijl hij zich weer in de slang naakte jongenslijven voegt: ‘Straks keer ik je de andere wang toe!’ In het voorbijgaan is een tafel uit het gareel geslagen. Nog voor de stoet de zaal verlaten heeft spoedt een zwerm hotello’s zich ernaartoe, om alles opnieuw paraat te maken voor de strijd.
Maar eer het diner kan beginnen, moet er een doop plaatsvinden. Rijk komt ons er speciaal voor halen - ook Rita en Tijno, maar Tijno weigert. ‘Een doop?’, hoor ik hem roepen. ‘Van een boot? Ik kom hier toch om te koken, niet om te dopen…’ Als Rita en Rijk even later de keuken uit komen lopen, Rita zich verontschuldigend, Rijk vergoelijkend, is Tijno zich nog steeds aan het opwinden. ‘Godverdomme! Wat denken deze mensen? Dat ik hier verdomme friet sta te bakken? Dat ik hamburgers in broodjes sta te vouwen?’
Rita: ’Sorry, maar Tijno kookt altijd op een strak schema. Als we hier van tevoren van geweten hadden, hadden we er rekening mee kunnen houden…’
Rijk: ‘Welnee, nergens voor nodig. In wezen is hij een kunstenaar, toch? Picasso, Prince - die konden er ook wat van… Als er maar geen afgesneden oor in de soep valt…’
Samen met mijn collega-hotello’s volg ik Rita en Rijk naar het voordek, dat zo groot is als een korfbalveld. In de voorplecht staan twee LCD-schermen naast elkaar opgesteld. Op een ervan telt een digitale klok af, op de ander zien we onszelf staan, kijkend naar de twee beeldschermen.
De aftelklok gaat de laatste minuut in. De dinergasten hebben zich inmiddels weer aangekleed, maar in plaats van smokings dragen ze nu allemaal een glimmend blauw trainingspak en badslippers. Op het rugpand staat in grote cijfers ‘21’, met daaromheen: ‘Skirrejan Proficiat!’. Achteraan de groep staat champagnegraaier. Als hij me ziet wrijft hij grijnzend over zijn bil. Zegt iets tegen de jongen naast hem, die zich naar voren buigt om mij voor zijn buurman langs aan te kijken. De jongen - donkere krullen, grote neus, volle lippen - heb ik eerder gezien… En hij mij. Terwijl champagnegraaier iets schunnigs in zijn oor fluistert, kruisen onze blikken en verliest zijn zachte gezicht voor één tel elke zweem van zachtheid. En weet ik weer waar ik hem van ken. Interessant.
Maar geen tijd om verder over na te denken, want op de klok is de nul bereikt. Alle lichten gaan uit. Tegelijkertijd klinkt het geluid van een langzaam kloppend hart over de luidsprekers. Het hart gaat steeds sneller kloppen. Op beide schermen zien we hetzelfde beeld: een foto van een echografie van een baby. Dan verschijnen op het rechterscherm de bouwtekeningen van een schip. De hartslag wordt een beat, een schijnwerper verlicht de dj die naast de twee schermen opgesteld blijkt te staan, en vervolgens zien we parallel, op de twee schermen, de ontwikkeling van Skillian van foetus tot student - via geboorte, vakanties op zeven continenten en scholen op drie - en het ontstaan van de boot, van tekentafel tot tewaterlating. De muziek stuwt de beelden voort en geeft de daarbij horende emoties aan. De driedubbele crescendo wordt bereikt bij de tewaterlating, die simultaan wordt getoond met een foto van Skillian voor een huis op het Rapenburg. Een deel van de gasten begint te joelen, maar dan gaan de schermen op zwart en wordt alles overstemd door de trage hartslag waar de presentatie mee begon.
De schermen flikkeren weer aan. Op de linker zien we opnieuw onszelf staan, maar nu van verderaf gefilmd, zodat ook de boeg zichtbaar is. De naam van het schip gaat schuil achter een groot doek. Op het tweede scherm zien we Skillian. Het is voor het eerst dat ik het feestvarken goed kan bestuderen. Hij heeft een serieus gelaat, waar pas een lach op verschijnt als hij doorheeft dat hij gefilmd wordt. Met zijn opzij gekamde spuuglok, humorloze ogen en hoge jukbeenderen lijkt hij - I hate to say it - op een jonge Hitler, maar dan zonder snor. Zijn trainingspak, hetzelfde als dat van zijn vrienden, is niet blauw, maar goudkleurig.
Rijk slaat een arm om zijn zoon heen. Tegelijkertijd zoemt de walcamera in op Eva Luna, die in het bakje van een hoogwerker voor de boeg van het schip hangt. In haar hand houdt zij een fles vast, die met aan een draad aan een punt boven haar bevestigd is. Rijk, glimmend van trots, geeft zijn zoon een zoen.
De camera zoemt in op Eva Luna. De versterkte hartslag stopt, iedereen aan boord houdt de adem in. Dan klinkt haar stem, vreemd kil voor het feestelijke moment: ‘Ik wens u een behouden vaart.’
Terwijl ik me afvraag of ik de enige ben die niet gehoord heeft hoe het schip heet, geeft ze een venijnige slinger aan de fles champagne, die met een knal uit elkaar spat tegen een blok dat speciaal voor dit doel aan het schip is vastgemaakt. Dan zwenkt de camera opzij, knalt de muziek weer door de boxen, en zien we achter het wegvallende doek in gouden letters de naam van het schip prijken: ‘Skillian 21’.
Voor de troepen uit haast ik me terug naar de dinerzaal. Ik neem plaats achter de champagnebar en observeer hoe de jongens de zaal binnenlopen, in verschillende stadia van opgewondenheid - maar opgewonden zijn ze allemaal. Behalve één.
‘Jongens zijn het, maar of ze aardig zijn, valt nog te bezien…’
Ik kijk opzij. De krullebol van zojuist staat naast me. Hij wiegt heen en weer, alsof we op een schip staan - wat natuurlijk ook zo is. Of hij is dronken. Zijn gezicht hangt in ieder geval weer uit de plooi. Maar als hij me aankijkt, zijn zijn ogen glashelder. ‘We meet again.’
‘Zomer 21,’ zeg ik. ‘Ik deed mijn best, maar jij wilde niet. Je had een vriendinnetje. Is het nog aan?’
Hij wendt zijn blik af en probeert door het raam naar buiten te kijken, maar daar is alleen het zwart op zwart van de Kaag by night, waardoor hij toch weer zichzelf tegenkomt, maar dan in spiegelbeeld, met mij aan zijn zij. Als hij ons zo gereflecteerd ziet staan, grimlacht hij, steekt hij zijn hand naar me uit, en zegt: ‘Micky, als ik het me goed herinner. Zoals Mickey Mouse, maar zonder 'e'.’
Mijn spiegelbeeld geeft hem antwoord: ‘Je hebt een goed geheugen, Joost.’
Zijn grimlach maakt plaats voor een echte. ‘Wat doe je hier? Incognito verjaarscadeau voor Skillian?’
‘Shhh,’ zeg ik.
Samen keren we ons terug naar de zaal.
‘Wat ik je zeg,’ zegt Joost. ‘Jongens zijn het. En meer onder de indruk van domrijk dan je zou denken.’
Als de jongens al ergens van onder de indruk zijn, is het van hun eigen gaafheid, zo lijkt me. Ook hier neemt de nestor de leiding. Een paar jongens die al zijn gaan zitten wordt gesommeerd direct weer te gaan staan. De nestor klimt op tafel, manoeuvreert behendig op zijn badslippers tussen al het glas- en zilverwerk door, en eist de aandacht van de zaal op. Deze tafel, zo roept hij, is maar een slappe bende - en een slappe bende volstaat niet, zeker niet op zo’n bijzondere avond als deze, en op zo’n mooie plek als deze. Dat moet dus anders. Gelukkig zit er wel potentie in de tafel - heel veel potentie. Maar dat is nu nog niet te zien, dus dat moet, nogmaals, anders.
Naast me grinnikt Joost. Als ik hem aankijk, zegt hij hoofdschuddend: ‘Deze gast is geobsedeerd door piemels - let maar op.’
Als een kunstenaar loopt de nestor over de tafel. Met één hand wrijft hij over zijn kin, de ander schetst in de lucht zijn ideeën voor de tafel, terwijl zijn publiek in geamuseerde afwachting toekijkt. Hier en daar klinkt gegrinnik - Joost is blijkbaar niet de enige met kennis van ’s mans preoccupaties. Plotseling sluit hij de ogen en krimpt ineen. Zijn hand knijpt zich samen tot een vuist, vlak onder zijn voorovergebogen gelaat. Langzaam komen gelaat en vuist samen omhoog. Als hij weer rechtop staat, met de nog altijd gespannen vuist in de lucht voor zijn gezicht, opent hij de ogen weer. Met verbaasde bewondering aanschouwt hij zijn vuist. ‘Ik heb het!’, roept hij uit. ‘Deze tafel is een lul! Jullie!’ - hij wijst de jongens aan de ene kant van de tafel aan - ‘jullie maken het scrotum, daar! En jullie!’ - nu wijst hij de jongens aan de andere kant aan - ‘jullie zorgen voor de kromming - en let op! - de kromming is belangrijk - niets is dodelijker voor de lust dan een rechte lul! En Skillian - waar is Skillian? Daar is Skillian! - Skillian, jij gaat aan het hoofd!’
Iedereen gaat aan het werk, maar de nestor roept ze nog één keer tot de orde: ‘Wacht! We zijn hier wel te gast, verdomme - dus let een beetje op dat de tafel netjes gedekt blijft! Stelletje bavianen…’
Soepel springt hij van de tafel en komt bij ons staan. Met een knipoog spreekt hij me aan: ‘En nu een glas champagne, schat - het valt niet mee, dit zooitje ongeregeld een beetje in toom te houden.’
Als hij Joost ziet, verdwijnt de glimlach van zijn gezicht: ‘Wat denk je, Parmentier - de butler met een blaffer in de balzaal?’
Ik reik hem een glas champagne aan. Tegen mij zegt hij: ‘Je moet een beetje uitkijken met deze jongen; hij ziet eruit als een knuffelbeer, maar overal waar hij komt, vallen doden.’ Hij slaat het glas achterover. ‘Letterlijk.’
Zonder omkijken loopt de nestor weg. Als ik Joost vragend aankijk, haalt hij zijn schouders op. ‘Alweer een tevreden klant… Maar serieus: een knuffelbeer?’
Na de naakte polonaise en het ombouwen van de tafel zijn mijn verwachtingen voor het diner hoog (of liever gezegd: laag) gespannen, maar het valt alles mee. Misschien hebben de jongens van al hun gezwem en geren te veel honger gekregen om met het eten te willen smijten. Misschien zijn ze, zoals Joost al zei, ondanks hun beste pogingen om het niet te laten blijken toch onder de indruk van de tentoongespreide rijkdom. Misschien zijn ze gewoon bang voor Tijno Avelaar - want Tijno Avelaar heeft zo te zien vaker met dit bijltje gehakt.
Nadat iedereen, daartoe opgeroepen door de nestor, aan tafel is gaan zitten, met Skillian zoals aangekondigd aan het hoofd, ofwel aan de glans penis-zijde, en Rijk en Eva Luna helemaal aan de andere kant van de tafel, bungelend onderaan het scrotum, heet Rijk alle gasten voor de derde maal welkom. Hij zegt iets gevats over de toepasselijkheid van de tafelschikking - over oude ballen en shooting for the stars - dankt iedereen en de nestor in het bijzonder voor hun ‘warme vriendschap met Skillian’ en sluit af met de introductie van Tijno Avelaar en zijn team, eindigend met een tweede verwijzing naar de omgebouwde tafel en de onsubtiele implicatie dat je van het eten van Tijno zomaar een stijve piemel kan krijgen. Eva Luna kijkt boos in haar schoot, maar de nestor gaat de rest van de jongens voor in een aanzwellend gebrom. Dan gaan de lichten uit, komt Tijno binnen, en verstomd het gejoel.
Samen met een halfnaakte sous-chef draagt de meesterkok een opgebaard speenvarken de eetzaal binnen. Het beest is met alcohol overgoten en in brand gestoken. Het bezwete bovenlijf van de chefkok glinstert in het licht van de vlammen. Achter Skillian komt de processie tot stilstand. In het uitdovende licht van de steeds lager flakkerende vlammen is nog net te zien hoe Tijno een mes en een aanzetstaal van de baar pakt. Als het vuur gedoofd is, zijn alle ogen in de zaal op het silhouet van Tijno gericht, maar in het donker is alleen te horen hoe de meesterkok met trage halen het mes langs het aanzetstaal beweegt.
Dan steekt de chefkok een kookbrander aan. Als Tijno een moment later het vlees begint te snijden, blijkt hij een koplamp te hebben opgezet. In het licht van de lamp zijn alleen zijn handen te zien, en het inmiddels vlijmscherpe mes. In een moordend tempo worden dunne plakken vlees afgesneden, met alcohol overgoten en nogmaals in brand gestoken. De hotello’s serveren alles even geruisloos en snel uit, zodat uiteindelijk iedereen een bord brandend varkensvlees voor zich heeft.
De betovering wordt bijna verbroken als een grappenmaker vraagt of er ook een vegan-optie is, maar voordat er kan worden gelachen wordt hard op de tafel van Skillian geslagen. Iets zilvers flikkert door de lucht, gevolgd door een tweede klap.
De lichten gaan aan. Voor Skillian steekt het mes van Tijno trillend uit het tafelblad. De kok maakt een korte buiging naar de jarige en zegt: ‘Proficiat, jongen - die is voor jou.’ Daarna kijkt hij ons één voor één aan. Tot slot zegt hij: ‘Eet smakelijk.’
Zo spectaculair als het voorgerecht van brandend varkensvlees wordt het niet meer, maar dat hoeft ook niet, want de toon is gezet: respect de Tijno. Dat wordt al snel de mantra van de avond. Het begint als een grap, om de spanning te doorbreken na Tijno’s openingsact. Als de chef de zaal verlaten heeft, zie ik een van Skillians vrienden een hap van het vlees nemen en vervolgens verrukt opkijken. Hij roept naar Skillian, houdt zijn mes in de lucht alsof hij de tafel ermee wil doorboren, en zegt met een blik die het midden houdt tussen Jeffrey Dahmer en een godsdienstwaanzinnige: ‘Respect de Tijno!’ Een paar jongens heffen lachend hun eigen mes en herhalen: ‘Respect de Tijno!’
Bij het proeven van het tweede gerecht klinkt de kreet al vaker, maar nu oprechter, en bij het opdienen van het derde gerecht is er één dappere dodo die het in aanwezigheid van de chef zelf durft te zeggen: ‘Respect de Tijno!’ De hele tafel houdt de adem in - behalve Rijk, die al begonnen is met eten en nergens anders aandacht voor heeft. Als er langzaam een twinkeling in Tijno’s ogen verschijnt durft nog iemand het aan, en al snel roept iedereen door elkaar ‘Respect de Tijno! Respect de Tijno!’ Rijk, verbaasd opkijkend, veegt met zijn servet zijn lippen af en roept met half-volle mond: ‘Respect de Tijno!’ Als hij zijn arm om Eva Luna’s schouders legt om haar mee te laten doen, schudt ze die af, vouwt haar servet op en legt deze voor zich op tafel. Dan staat zij op en verlaat de zaal. Rijk trekt zijn schouders op en concentreert zich weer op het eten.
Ondertussen heeft Rita me van achter de champagnebar weggehaald om te helpen bij het diner. Mijn taken zijn simpel: lege wijnflessen vervangen door volle, en het personeel dat wel wat kan niet voor de voeten lopen. ‘En probeer onzichtbaar te blijven,’ luidt haar laatste instructie, nadat ze me de indeling van de wijnkast heeft uitgelegd. Onzichtbaar, denk ik. Met mijn tieten, tussen dertig dronken primaten. Doe je best. Rita ziet me het denken. Werpt een korte - of eigenlijk best een lange - blik op mijn borsten, die onder het vormeloze horeca-uniform prompt in de houding springen. Als ze me weer aankijkt, zie ik dat ze op het puntje van haar tong bijt. Hard. Maar daar heb ik nu geen tijd voor. Er is werk aan de winkel.
Want je zou het haast vergeten, maar ik ben hier niet om champagne in te schenken, of lege wijnflessen te vervangen door volle, of voor een snelle klittebit met een seks-repressieve culilesbo, hoe hard ze het ook nodig heeft. Ik ben hier om Skillian te verleiden, voor het oog van familie en vrienden. Daar ben ik voor betaald, en niet zo’n beetje ook, dus dat staat me te doen. If you take the pay, you play the play. En laat ik daar nou eens echt goed in zijn.
Het komende uur zorg ik - sorry Rita - ervoor dat werkelijk iedereen aan tafel me gezien heeft. Veel is daarvoor niet nodig - wat ik al zei over borsten en beesten - maar er komt toch meer bij kijken dan je tieten in iemands gezicht duwen; dat kan elke boerentrien. Want dit zijn gecultiveerde beesten. Die hebben meer nodig dan een paar tieten, wil het beklijven. Als je deze jongens van hun sokkel wil blazen, moet je ze een blik in de oneindigheid gunnen. Zoals de geur van gemaaid gras alle vervlogen zomers en alle zomers die nog komen gaan oproept, elke gemiste kans, elke droom die ooit is waargemaakt of nog kan worden, zo moet ik hoop bieden, en troost, en de verwachting van geluk. Tieten helpen daarbij, dat is een gegeven. Maar tieten zijn niet meer dan een richtingaanwijzer: deze kant op voor de onsterfelijkheid. Pas als ze voorbij de tieten kijken, en dat doen ze allemaal, kan je ze vangen. Met een blik, een woord, een handeling, die laat zien: ik doorzie je, ik vergeef je, ik wil je. Doe je dat niet, dan ben je niets meer dan een stel tieten - voor jou tien anderen. Doe je dat wel, dan ben je binnen. Dan eten ze uit je hand.
Dus buig ik me net te ver over de tafel om lege wijnflessen aan te nemen, leg ik zonder een woord te zeggen handen op mouwen om aandacht te vragen voor een nieuwe, knipoog ik geruststellend als er theatraal naar adem wordt gehapt bij mijn terugkomst, en intervenieer ik onverwacht en point in gesprekken, de jongens stupéfait achterlatend. Binnen twee gangen heb ik ze waar ik ze hebben wil. Behalve één: Skillian zelf.
Voor een jarige job die net een boot van tweehonderdmiljoen euro heeft gekregen - als ik het bedrag goed verstaan heb, tenminste (maar dat zal wel, want het blijft maar rondzoemen: soms in ongeloof, soms in adoratie, soms ook met nauw verholen afkeuring - maar altijd in fluistertonen) - is Skillian niet echt een feestnummer. Hij doet mee met de polonaises, loopt zelfs voorop als dat van hem verlangd wordt, laat zich toespreken en toedrinken en toelachen, lacht zelf ook mee, maar alles zegt me: he’s faking it. Misschien is hij neuro-divers - kan goed, met zo’n briljante vader. Misschien is hij gewoon een buitenbeentje. Ook dat kan goed, met zo’n briljante vader. Maar hoe langer ik hem observeer, hoe meer ik vermoed dat er meer aan de hand is.
Exhibit A: Hij ziet me niet staan. Dat is niet normaal. Noem me zelfingenomen, maar ik weet hoe ik aandacht moet trekken. Van mannen, maar dat is geen kunst. Van vrouwen, ook niet. Maar ook van mannen die alleen op mannen denken te vallen, en van vrouwen die genoeg aan zichzelf denken te hebben. Pederasten, a-seksuelen, necrofielen, you name it, ik genees ze allemaal - maar Skillian? Complete flatliner. En dat ligt dus niet aan mij. Maar hoe langer ik hem observeer, hoe meer ik denk dat het ook niet aan hem ligt. Hier is meer aan de hand.
Exhibit B: Hij drinkt niet, of nauwelijks. Hij laat zich wel inschenken, maar vervolgens blijft zijn glas onaangeroerd. Later op de avond, als de magen zo vol zijn dat er tussengangs gewandeld moet worden om ruimte te creëren voor het vervolg, zie ik hem af en toe naar het achterdek verdwijnen met een glas wijn in de hand, die bij terugkomst leeg is. Wat hij wel drinkt: water, maar alleen uit een nieuwe fles, als hij zelf de zegel verbroken heeft. En bijschenken uit een reeds geopende fles is uit den boze - dan raakt hij zijn glas niet meer aan.
Exhibit C: Als hij wordt toegesproken, kan hij zijn aandacht er nauwelijks bijhouden. Telkens dwalen zijn ogen af naar zijn vader - en de vrouw die naast hem zit. Als ik er eenmaal op ga letten, blijkt dat zijn aandacht sowieso meer uitgaat naar de scrotumzijde van de tafel, dan naar zijn disgenoten aan glans penis. En als Eva Luna tijdens de derde gang de zaal verlaten heeft, duurt het niet lang voordat ook Skillian opstaat en vertrekt.
Ik ben niet de enige die dat is opgevallen. Terwijl ik naar de keuken loop met een lege wijnkoeler kom ik Joost en de champagnegraaier tegen. Ze houden zich op bij, en met behulp van, mijn champagnebar, die voor de duur van het diner een schaduwrijke hoek is ingeduwd. De drank en de spijzen zijn champagnegraaier even te veel geworden; steunend op beide armen staat hij achter de bar, het hoofd voorover gebogen. Als ik de wijnkoeler tussen zijn handen plaats kijkt hij me met een verweesde glimlach aan. Op zijn voorhoofd parelen zweetdruppels. ‘Te vroeg gepiekt,’ zegt hij.
‘Be my guest,’ antwoord ik, waarop hij de koeler vol braakt.
‘Jouw timing is uitmuntend,’ zegt Joost, zijn ogen geen moment van de zaal afwendend.
‘Timing is everything,’ antwoord ik.
‘Time is everything,’ zegt Joost, met lichte nadruk op het eerste woord. ‘Zo ver wil ik wel met je meegaan.’
‘Ik wil sowieso wel met je meegaan,’ mompelt champagnegraaier van boven de koeler.
‘Jij en twintig anderen,’ zegt Joost met een korte blik over zijn schouder. En tegen mij: ‘Maar je lijkt concurrentie te hebben.’
‘Of hij is homo,’ zegt champagnegraaier.
‘Nee,’ zegt Joost. ‘Hij is geen homo.’
‘Wat weet jij van Eva Luna?’, vraag ik.
‘Ook geen homo,’ zegt champagnegraaier.
‘Ze neukt wel met mannen,’ zegt Joost.
‘Dus toch een homo?’, vraagt CG.
‘Voor de helft.’
‘Welke helft?’
‘De winstgevende helft.’
‘Ahhh,’ zegt CG. ‘En de andere helft?’
‘Als ik Skillian moet geloven, is er geen andere helft.’
‘Ahhh,’ zegt CG opnieuw. ‘Geen andere helft.’ En na een korte stilte: ‘Fuck-filosoof.’
‘Yep,’ zegt Joost. En dan: ‘Een beetje zoals met jouw emmertje kots. Die is voor de helft gevuld met kots - en voor de rest is die leeg.’
‘Je bent een groot didactisch talent, Parmentier. Wist je dat?’, zegt CG. Hij tikt de wijnkoeler aan. ‘De mate van vulling is dus relatief aan het omhulsel.’
Joost knikt.
CG: ‘Maar dan liever een gold-digger in een supergeil lijf, dan een emmertje kots, toch? Waar is ze, trouwens?’
‘Elvis has left the building.’
‘Hmm. En Skillian ook, zo te zien. Wat denk je? Beetje stepmom-action op het achterdek?’
‘Jij kijkt te veel porno. Sorry, Micky.’
Porno of niet, het is een beeld dat blijft hangen. Maar dan loopt Skillian alweer de zaal in. En verdomd of hij er niet een beetje opgewonden uitziet. Blosjes op de wangen, extra veer in zijn tred. Eindelijk - daar kan ik tenminste mee werken.
‘Zie je wel,’ zegt CG.
Over de vraag wat zich precies heeft voorgedaan tussen Skillian en zijn stiefmoeder zal ik me later moeten buigen, want nu is het ijzer heet - en als het ijzer heet is, moet Micky smeden.
Maar godallemachtig wat is het ijzer heet! Waar Skillian voorheen alleen oog had voor scrotumszijde, brandt zijn blik nu dwars door mijn kleren heen, en de eerste keer dat ik bij hem in de buurt kom, probeert hij me zonder aankondiging bij zich op schoot te trekken. Het is dankzij de nestor dat ik er zonder kleerscheuren vanaf kom - en dan bedoel ik dus: zonder Skillians kleren te scheuren, of zijn huid of zijn ego. Regel één: ik bepaal het tempo.
Fijn voor Skillian dus dat nog voordat hij zijn grijpgrage handjes goed en wel om mijn middel heen heeft geslagen, de nestor hem een harde tik op het achterhoofd geeft. ‘We hebben nog helemaal niet voor je gezongen, lul!’ Terwijl ik me uit de voeten maak, springt de nestor op om iedereen voor te gaan in ‘Lang zal hij leven’. Skillians gezicht kleurt rood, en heel even denk ik dat hij zijn huisoudste gaat aanvliegen. Dan lacht hij, wrijft hij zich over het achterhoofd en laat het gezang over zich heen spoelen.
Ondertussen ben ik gewaarschuwd: vanaf nu wordt het catenaccio. Ofwel: de tactiek van het natte poesje.
Misschien denk je nu: maar Micky, je wordt toch betaald om je klant klaar te laten komen? Hoe sneller, hoe beter, toch? En dan zeg ik je: je begrijpt er niets van. Ik word betaald om de klant tot een hoogtepunt te brengen, ja. Tuurlijk, ik kan hem met een helicopter op de top van de Everest neerzetten, dan komt hij er ook - en is hij me morgen alweer vergeten. Maar als ik vanaf fucking Kathmandu al met mijn billen voor hem uit loop te draaien, hem vanaf het basiskamp over de Kundu-ijsval heen trek, hem in kampen één, twee en drie loop op te geilen, zodat hij tot slot extra zuurstof nodig heeft om via de Hillary-step de top te bereiken, dan weet hij pas wat een hoogtepunt is - en komt hij later terug voor meer.
Dus nee, het is niet ‘hoe sneller hoe beter’. En als een klant bij me komt met een nat poesje in zijn broek, dan is het aan mij om de boel te temporiseren. En dat is wat ik nu moet doen met Skillian, want die jongen staat op springen - ondanks de kastijding door de nestor.
Dus blijf ik op veilige afstand, maar werp ik hem steelse blikken toe. Vraag ik een van de jongens om de knoop van mijn schort opnieuw te leggen, terwijl ik weet dat hij toekijkt. Ga ik onhandig in de deuropening van de keuken staan, net als iemand er langs moet, op mijn tenen en met mijn rug tegen de muur gedrukt, zodat mijn borsten van achteren verlicht worden vanuit de keuken… Subtiel is het allemaal niet, net zo min het subtiel is om de Oedipus-kaart te trekken. Noch zonder gevaren, zo blijkt.
‘Ah, Micky,’ zegt Rijk als ik me naast hem over tafel strek om het tafelkleed glad te strijken. ‘Vermaak je je een beetje?’
‘Ik vermaak me uitstekend, meneer Wellink.’
Van diep in zijn borstkas borrelt een lach naar boven. ‘Meneer Wellink,’ zegt hij. ‘Die is goed. Vanavond spelen we allemaal een rol, nietwaar?’
Ik frutsel wat aan het tafelkleed en kijk hem schuin aan. Hij slaat met zijn hand op de lege stoel naast hem. ‘Ga zitten, Micky. Je hebt pauze.’
Ik ga naast hem zitten. Om ons heen gaat het mannendiner in volle vaart door - er wordt geroepen om drank, het eten wordt geprezen, gesprekken en grappen buitelen over elkaar heen, armen worden om schouders geslagen, liederen aangeheven, er wordt geroepen om nog meer drank - maar alsof het van tevoren is afgesproken schuiven bij mijn komst de tafelgenoten aan weerszijde hun stoel van ons af en keren Rijk en mij de rug toe. Plotseling bevinden we ons in een rustig keerwatertje - en het bevalt me maar matig.
‘Weet jij hoe ik mijn eerste miljoen heb verdiend, Micky?’
‘Niet door je te laten naaien, vermoed ik.’
Rijk lacht. ‘Ach, Micky. Dat is precies wat ik zo leuk aan je vind.’ Met de zijkant van een gekromde wijsvinger wrijft hij een neptraan weg van onder zijn oog. ‘Nee, niet door me te laten naaien, inderdaad - maar als het ervoor nodig was geweest, had ik me er waarschijnlijk wel voor laten naaien. Jij en ik zijn niet zo verschillend, Micky. Wij zijn overlevers.’
‘And we both like to fuck people,’ zeg ik.
Rijk trekt zijn schouders op. ‘Ik vind het vooral fijn om vrouwen te neuken, jou in het bijzonder. De rest, alleen als het moet. Maar dat weet je allemaal al. Laten we het nu hebben over wat je niet weet.’
‘Wat weet ik niet?’
‘Wie jou vanavond ingehuurd heeft.’
‘Jij niet.’
‘Nee, ik niet. Maar weet je al wie wel?’
Ik schud mijn hoofd.
‘Ik ook niet - en dat stoort me.’
‘Ik heb van jou een mail gekregen,’ zeg ik. ‘En ik ben door jou betaald.’
Rijk staart voor zich uit en tikt met vier vingers op het tafelblad. Dat wist hij kennelijk ook niet. Hij tikt een laatste keer op tafel en kijkt me aan: ‘Pas in ieder geval een beetje op jezelf, Micky. Ik zou niet graag zien dat je iets overkomt.’
Wat me precies zou kunnen overkomen, kan ik niet vragen - want op dat moment neemt het diner een onverwachte wending.
Meesterchef Tijno komt de dinerzaal in met wat het eerste nagerecht moet worden. Net als bij het voorgerecht heeft hij een trolley bij zich, maar in plaats van een spectaculair brandend speenvarken duwt hij nu een paar lukraak neergegooide pakken vanille-ijs de zaal in. Ook worden de lampen niet gedimd, en in plaats van zijn halfnaakte sous-chef loopt deze keer Rita met hem mee. Met één hand op zijn arm en één op de trolley spreekt ze hem zacht maar dwingend toe. Tijno trekt zich niets van haar aan, en ook niet van het inmiddels gebruikelijke ‘respect de Tijno’ dat kortstondig opklinkt maar net zo snel weer wegsterft als de gasten het gelaat van hun culinaire idool aanschouwen.
Rita lijkt ook haar conclusies te trekken. Ze laat Tijno en de trolley los, veegt de beide handpalmen af aan haar jasje, en loopt gedecideerd naar ons toe.
‘Het spijt me, meneer Wellink,’ zegt ze.
‘Voor spijt heb ik geen tijd,’ antwoord Rijk. ‘Wat is er aan de hand?’
‘Tijno… Uw vrouw…’ Rita’s professionele pantser vertoont, voor de tweede keer deze avond, enige barsten.
‘Mijn vrouw heeft al enige tijd geleden het diner verlaten. Zij houdt niet zo van dit soort… toestanden. Het is niet persoonlijk. Heeft zij de chef op enige wijze gekrenkt?’ Terwijl hij spreekt, observeert Rijk de chef in kwestie, die her en der pakken ijs op tafel aan het smijten is, zonder acht te slaan op de kleine ravages die hij daarbij aanricht. Geamuseerd-vragend kijken de gasten elkaar aan.
‘Op enige wijze…’, stamelt Rita.
Rijk haalt zijn schouders op. ‘Maak je geen zorgen; daar heeft zij een bijzonder talent voor.’
‘Maar…’, probeert Rita het nog een keer, maar Rijk heeft zich weer tot mij gewend. ‘Mensen maken zich zo vaak druk om niets, vind je niet?’ Met een tevreden zucht leunt hij achterover in zijn stoel om te aanschouwen wat er komen gaat. ‘Fantastisch, toch?’
Fantastisch is het inderdaad - net zoals doorlekken in een witte galajurk op mijn veertiende verjaardag fantastisch was. Onvoorstelbaar en om nooit te vergeten. En een beetje mensonterend, misschien.
Als Tijno klaar is met het uitdelen van de pakken ijs, zijn alle ogen op hem gericht. Zijn ogen schieten heen en weer tussen de gasten. ‘Zo,’ zegt hij. ‘Lekker gegeten, allemaal?’ Terwijl hij spreekt laat hij zijn onderlip over zijn ondertanden rollen. ‘Heeft het jullie kunnen…’ - korte pauze, onderlip, tanden, onderlip - ‘bekoren?’
‘Respect de Tijno?’, vraagt iemand voorzichtig. Hier en daar klinkt gelach.
Tijno laat zijn hoofd voorover hangen, knijpt zijn handen tot vuisten en zucht een paar keer diep. Een paar stoelen verderop fluistert iemand: ‘Tot tien tellen. Moet ik ook altijd van mijn therapeut. Helpt voor geen meter.’
Nerveus gegrinnik.
Tijno kijkt weer op. ‘Omdat jullie zulke fijnproevers zijn…’ - onderlip, tanden, onderlip - ‘zo goed weten, wat lekker eten is’, - onderlip, tanden, onderlip - ‘zo veel liefde hebben voor het vak’ - ... - ‘zo veel waardering, voor het vakmanschap, het bloed, het zweet, de tranen’ - iemand begint zachtjes Hazes te neuriën, Tijno verheft zijn stem, ‘omdat jullie, kortom, het zo verdienen’ - het laatste woord wordt zowat uitgespuugd - ‘heb ik een heel bijzonder nagerecht voor jullie. Ik noem het, in ere van de gastvrouw’ - diepe buiging en een ironische armzwaai naar Eva Luna’s stoel, waarin ik probeer te verdwijnen - ‘een dame blanche…’
Of zei hij ‘dumb blonde’? Ik ben niet de enige die twijfelt; een paar stoelen verder vraagt iemand, net iets te hard: ‘Ze is niet eens blond, toch?’ Naast me prevelt Rijk: ‘Blond, noch dom. The worst of both worlds.’
‘Het bijzondere aan dit gerecht,’ gaat Tijno onverstoorbaar verder, ‘is dat iedereen het zelf moet maken. Zo kan je je eigen, unieke smaakervaring creëren, helemaal afgestemd op je eigen, unieke smaak. Het is echt buitengewoon exquise en uniek. Ik zal het even voordoen…’ Hij pakt een van de pakken ijs, trekt het plastic deksel eraf en draait het boven de tafel om, zodat een blok vanille-ijs als een baksteen op het tafelkleed neerploft. ‘Zo - dat is één. Dit gerecht staat of valt trouwens bij de kwaliteit van de ingrediënten - en dit is ontegenzeggelijk het beste ijs dat we konden vinden. Niet alleen qua smaak, maar ook qua tekstuur…’ Hij buigt zich voorover en likt het ijs, eerst languit als een labrador, dan met het puntje van zijn tong een gat in het ijs borend. Met een grijns komt hij weer overeind. ‘Echt heerlijk. Maar een dame blanche is natuurlijk geen dame blanche zonder slagroom - waar is de slagroom? Ah, hier is de slagroom.’ Van onderuit de trolley pakt hij een zilveren schaal. ‘Ook deze room is werkelijk uniek. Voor jullie niets dan het beste.’ Zonder omhaal draait Tijno de kom om en zet het met een klap over het ijs neer. Een omgevallen wijnglas spat uiteen, de direct omzittenden schuiven hun stoelen nog wat verder naar achteren. ‘Jaja, je kan geen omelet maken zonder eieren te breken, nietwaar?’ Tijno tilt de schaal op en veegt met zijn blote hand de scherven uit het room. ‘En om het af te maken: chocoladesaus…’ Ook deze heeft hij al meegenomen, zij het in een plastic emmer, type Remia frietsaus, waar hij nu lomp het deksel vanaf trekt. Hij doopt zijn wijsvinger in de saus en steekt hem in zijn mond - zo diep dat hij er van moet kokhalzen. Hij moet er zelf om lachen. ‘En dan,’ zegt hij, met zijn handen in de aanslag boven het slagveld, ‘dan begint het genot pas echt.’ Als een kind in een zandbak graait hij in het ijs, kneedt het, boetseert het. Naast het bruin van de chocoladesaus verschijnen nu ook rode vegen in de witte massa. Ondertussen veegt hij het mengsel om zijn mond, op zijn gezicht, op zijn witte koksjas, steeds lager op zijn lichaam. ‘Echt heel bijzonder,’ zegt hij. ‘Maar voor de echte fijnproever…’ Als hij aanstalten maakt om zijn gulp te openen, wordt het Rita te veel. Ze gebiedt twee koksassistenten, die al in de aanslag stonden, Tijno op te tillen. Al foeterend wordt de meesterchef de eetzaal uitgedragen.
Iedereen verbouwereerd achterlatend, zou je misschien denken, maar niets is minder waar. Voor je ‘what the fuck?’ kan zeggen scandeert de hele zaal alweer: ‘Respect de Tijno!’, en om me heen kijkend zie ik louter bewonderende blikken. Twee stoelen verderop wordt het algemene oordeel bondig samengevat: ‘Dat was fucking briljant.’
Maar wat was het, dat maakte dat Tijno zijn woede zo ongebreideld de vrije loop had gelaten? Tijdens het natafelen wordt het duidelijk. Kennelijk had Eva Luna bij het verlaten van de tafel aan de keuken de opdracht gegeven om de resterende gangen in haar privévertrekken te laten opdienen. (Kennelijk hadden Eva Luna en Rijk ieder privévertrekken aan boord - als een soort drijvend Fuckingham palace.) En kennelijk had Eva Luna een van de gerechten teruggestuurd, met de boodschap dat het nu wel genoeg was met alle troelala, en of de kok niet gewoon een dame blanche voor haar kon maken - als dat niet te veel moeite was, tenminste. Of zoiets; over de precieze toedracht en vorm van de boodschap doen steeds wildere verhalen de ronde, variërend van een slipje met daarin haar kamersleutel (maar waarom hij daarover zou flippen, bleef onduidelijk), tot een met kots gevulde wijnkoeler… Maar dat het Eva Luna was die we dankbaar mochten zijn voor een zeer exquise stukje after-dinner entertainment, dat leed geen twijfel - en daar was iedereen haar dan ook dankbaar voor.
En zo rollen we het derde bedrijf in. Tijno wordt, nadat zijn hand is verbonden, door Rita in een taxi gezet, en als blijkt dat de meeste aanwezigen denken dat zijn laatste woede-uitbarsting speciaal voor hen op maat was gemaakt, en dat er bovendien wel meer gegadigden zijn voor een dame blanche, herpakt ze zich snel. Inmiddels lijkt ze ook door te hebben dat ik meer ben dan een horeca-kluns met heerlijke tieten, maar ze is gewiekst genoeg om me niet uit mijn rol te halen. Dus blijf ik, terwijl het feest zich naar het voordek verplaatst, drankjes rondbrengen en harten op hol, en leg ik, Rijks advies indachtig, mijn oor te luisteren, en kijk ik goed uit mijn doppen - maar veel wijzer word ik er niet van. Totdat Skillian me eindelijk te pakken heeft. Met verbazingwekkende subtiliteit voor een 21-jarige miljardairszoon vol drank en drugs, die ik bovendien al sinds gang drie aan het opgeilen ben, vraagt hij me, fluisterschreeuwerd om over de beukende bas van de dj heen te komen: ‘Gaan we nog neuken, of hoe zit het?’
Nu zei ik zojuist wel ‘vol drank en drugs’, maar dat lijkt bij nader inzien mee te vallen. Vol adrenaline, zeker, en ook zo geil als een hete pan inglijdende boter. Maar drank en drugs? Nee.
Ik vraag hem er ook naar, als hij me naar een kamer heeft geleid. Vrij naar Fresku: ‘Hedde drugs op?’
‘Nee,’ zegt hij. ‘Ik ben van mezelf zo geil. Fijn dat pappie zijn favoriete hoer voor me geregeld heeft.’
Daar heb ik even niet van terug, dus geef ik mijn standaardrespons op het H-woord:
‘Sekswerker, bedoel je.’
Hij lijkt er van te schrikken, net zoals toen de nestor hem een klap gaf. En net zoals bij de nestor, denk ik even dat hij me aan gaat vliegen. Maar ook nu weet hij zich te beheersen. ‘Sorry, dat was ongepast. Het is een beetje een wilde avond…’
‘Geeft niks, birthday boy. Zo lang je niet over het toetje heen pist, vind ik alles best.’
Zijn ogen lichten op. ‘Holy - dat was onverwacht goed. Ik had niet gedacht…’ Wat hij niet gedacht heeft, krijg ik niet te horen, want het lukt hem niet zijn zin af te maken, met mijn tong in zijn mond. Na zes uur voorspel ben ik ook wel toe aan een verzetje.
Nog geen vijf minuten later leg ik een knoop in een volgeschoten condoom. Als ik terug kom van de wc ligt Skillian verslagen op zijn rug naar het plafond te staren. Ondanks een vrij explosief orgasme - wat verwacht je, met 21 jaar? - lijkt hij ergens ontevreden over te zijn. Ik vlij me tegen hem aan en zeg: ‘Don’t worry, tijger - je hebt misschien een slag verloren, maar de oorlog is nog lang niet voorbij… Of ben je in de rouw over je nageslacht, dat ik net door de wc heb gespoeld?’
Hij draait zich naar me toe. ‘Dat is het niet…’
Ahhh. Fetisj-tijd. Ik had het kunnen weten, met zijn Engelse kostschool-achtergrond. ’Benjamin,’ zeg ik, ‘are you trying to seduce me?’
‘Je kent je klassiekers.’
‘Ik kijk nergens van op, Skillian - try me.’
‘Heb je mijn stiefmoeder gezien?’
Aha - toch een beetje stepmom-action.
‘Ik denk dat ze me wil vermoorden.’
Oké - dat is onverwacht. ‘Is dat waarom je niets drinkt wat je niet zelf hebt opengemaakt, en telkens wacht met eten totdat niemand naast je is omgekeild?’
Een pijnlijke grimas trekt over zijn gezicht. ‘Dat is je opgevallen?’
‘Er valt mij wel meer op.’
Hij pakt een flesje uit de minibar, controleert het zegel, draait het open en schenkt ons beiden in. ‘Proost.’ Ik proost terug en neem een slok.
‘Noem nog eens iets dat je is opgevallen.’
‘Dat je haar achterna bent gelopen, toen ze het diner verliet.’
Hij perst zijn lippen samen en knikt. ‘Klopt. Ik wilde zeker weten dat ze naar bed ging.’
‘En dat je geil was toen je terugkwam.’
Verbaasd kijkt hij me aan: ‘Jij mist echt niet veel.’
‘Klopt. En geilheid, daar heb ik voor doorgeleerd.’
‘Dat kan je wel stellen.’
‘Maar, je was dus geil. Van je stiefmoeder.’
‘Stiefmoeder, stiefmoeder. Wat heet - ze is 29…’
‘29, en heet. Neuken jullie?’
‘Nee. Ik zeg toch net - volgens mij wil ze me vermoorden.’
‘Omdat…’
‘Pretty fucking obvious, zou ik zeggen: zodat zij en dat joch van ‘r de poet niet hoeven te delen…’
‘Heeft ze een zoon?’
Skillian knikt. ‘En niet eens van mijn vader.’
‘En toch word je geil van d’r.’
‘Het is ingewikkeld.’ De jongen kleurt zowaar rood.
‘Try me.’
Diepe zucht.
Ik stoot hem aan. ‘Hé - ik zit erop, weet je nog? Ik heb mannen anaal gevingerd met de kleren van hun moeder aan…’
Hij kijkt me aan. ‘Had jij die kleren aan, of zij?’
‘Ahh,’ zeg ik. ‘Zeg dat dan. Een beetje gender-benden, met een existentiële twist. En moet ik je dan peggen, of gaat dat weer te ver?’
‘Peggen? Wat is dat?’
Ah, the innocence of youth. Ik voelde me bijna schuldig. ‘Je weet wel - met een ombind-lul…’
‘Nee - ho, stop. Nee, nee…’ Hij wordt weer een beetje rustig. ‘Nee. Dat is niet nodig. Waar ik echt geil van word, is van het idee dat ik haar ben, en jij, jij, en dat jij dan…’
‘Dat ik je kutje lik?’
Hij knikt, en vraagt voor de zekerheid: ‘Dat is niet vreemd?’
‘Helemaal niet - I do it all the time…’
Als ik helemaal eerlijk ben, zou dit de eerste keer worden - maar gelukkig word ik niet betaald om helemaal eerlijk te zijn. Dus kijk ik niet vreemd op als hij zich gehaast aankleedt en de kamer verlaat, en er vijf minuten later bij de schuifdeur naar het dek aangeklopt wordt. Heel even denk ik dat het Eva Luna is, die daar tegen de verschansing leunt, uitkijkend over de Kaag, in hetzelfde witte jurkje dat ze aanhad toen ze de bronstige bende aan boord welkom heette, maar als ze omdraait en me in haar armen sluit proef ik Skillian weer, en als we het dek verlaten hebben, en de beats en de dronken feestgangers en de hele ingewikkelde bende buiten hebben gesloten, lik ik zijn kutje zoals die nog nooit gelikt is. Daarna val ik in een diep-tevreden slaap.
Holy, denk ik nog - als ik dat geweten had, had ik het veel eerder uitgeprobeerd. En ook: hoe kwam hij eigenlijk aan dat jurkje? Daarna niets meer.
Ik word wakker van het geluid van rennende voetstappen op het dek, gevolgd door geplons en geroep. In de open schuifdeur bewegen de gordijnen zachtjes heen en weer, zodat het daglicht golfjes trekt over de glimmende houten vloer. Naast me ligt Skillian nog diep te slapen. De donkere pruik van vannacht prijkt nog altijd op zijn hoofd.
Waar ging dat helemaal over? Stilletjes, om hem niet wakker te maken, sla ik mijn benen over de rand van het bed. Met gesloten ogen blijf ik daar even zitten, mijn hoofd voorzichtig van schouder tot schouder heen en weer bewegend. Voor iemand die de hele nacht niets gedronken heeft, voel ik me behoorlijk slecht. Ik sta op en loop in mijn string, die ik blijkbaar niet eens heb uitgetrokken, het dek op. Leunend tegen de verschansing zie ik bij het achtersteven een paar van Skillians vrienden in het water liggen. Joost en CG zijn er ook.
Joost steekt zijn hand in de lucht. Ik zwaai terug, knipperend tegen het felle licht, of omdat het me wat meer moeite kost dan normaal om alles scherp te zien. Ik weet het zelf ook even niet.
Ik strompel terug de kamer in. ‘Hé, slaapkop, wakker worden - je vriendjes liggen al in het water.’
Skillian reageert niet. Ik kruip naast hem in bed en doe mijn ogen dicht.
Als ik voor de tweede keer wakker word, ligt Skillian er nog precies zo bij. Buiten klinkt inmiddels meer rumoer. Meer voetstappen, meer stemmen, meer bootjes op het water. Opeens bedenk ik dat er zomaar iemand binnen zou kunnen lopen, en dat Skillian er waarschijnlijk niet op zit te wachten dat zijn vrienden hem in drag in bed zien liggen. Ik strek mijn hand uit om zachtjes de pruik van zijn hoofd te trekken, maar voel meteen dat het niet goed zit.
Niet dat de pruik niet goed zit. Dat het niet goed zit. Want de pruik, is geen pruik.
Ik leg mijn hand op een ijskoude schouder, en trek Skillian op zijn rug. Maar net zo min de pruik een pruik is, is Skillian, Skillian.
Naast me ligt Eva Luna. Met ogen van vertroebeld krakelé staart zij naar het plafond, maar veel zal ze daar niet zien. Eva Luna is namelijk dood.
Meestal drink ik koffie om de dag op te starten, maar van een lijk in je bed word je ook snel wakker. Ik spring uit bed, doe de schuifdeur op slot en trek de gordijnen dicht. Als ik gecontroleerd heb of ook de binnendeur op slot is, kan ik de schade opnemen. Veel tijd heb ik daar niet voor nodig. Alle cos-play ten spijt, heeft Skillian me vakkundig in het pak genaaid.
Aan niets is te zien dat de jarige job hier is geweest. Alleen het flesje waar we samen uit hebben gedronken staat er nog. Een van de twee glazen is omgevallen, de ander is leeg. Als een stilleven van een Hollandse meester zou het in de Lakenhal niet misstaan. Bijschrift: ‘Skillian Wellink (2004 - ), Fles en twee glazen, vrij van vingerafdrukken.’ En vrij van de met GHB-gespikete inhoud. Zo’n diepe slaper ben ik namelijk niet.
Maar ik ben ook niet van gisteren. En gisteren was ik ook niet van gisteren. Een slimme meid is namelijk op haar toekomst voorbereid.
Eerst doorzoek ik de rest van de kamer grondig, maar die is zoals ik al dacht vrij van elk spoor van Skillian. In de badkamer liggen gebruikte handdoeken op de grond, al kan ik me niet herinneren gedoucht te hebben. Een korte inspectie van de vloer van de douche bevestigt mijn vermoeden: twee strengen haar, één blond, één donker. Een haartje van mij, een haartje van haar. Het bewijs ligt er voor het oprapen, als het ware.
Als laatste onderzoek ik het bed. Tussen het matras en het hoofdeind is een doorzichtige plastic zak gepropt. Uitgestreken op het nachtkastje kost het weinig verbeelding te zien waar die zak voor gebruikt is, en waar hij nu voor moet dienen. De druppels vocht in de zak, waardoor het plastic aan zichzelf kleeft; de rode vegen lippenstift; de lange donkere haren, allemaal vertellen ze hetzelfde verhaal - een verhaal van een over een hoofd getrokken plastic zak, van vergeefs inademen van te snel oprakend zuurstof, van opengesperde lippen waar de laatste levenszucht uit verdwijnt. Van dood door verstikking, kortom.
Het is een mooi scenario: de ervaren sekswerker en de emotioneel afgestompte miljardairsvrouw die slechts door verstikking nog tot een hoogtepunt kan komen… Extra tragisch, door het zoontje dat nu moederloos achterblijft. En met een verwijtbaar vuig randje, want als de sekswerker zich niet had laten verleiden tot de side-job met de vrouw van haar broodheer, en zich had beperkt tot de geplande happy end voor de zoon…
Het enige probleem met dit scenario, Skillian, is dat je mij de hoofdrol hebt gegeven. Dus zoek ik mijn pumps, doe ik de dirty en ander voorbereidend werk, en ga ik op zoek naar Rijk.
Ik vind hem aan het ontbijt.
‘Micky!’ zegt hij. ‘Kom bij me zitten. Je hebt de nacht overleefd, zo te zien?’
Hij neemt een hap van zijn eggs benedict. Hollandaisesaus druipt over zijn kin. Ik pak een servet en veeg het voor hem af.
‘Skillian vertelde me dat je opeens verdwenen was,’ zegt Rijk met volle mond.
‘Daar wilde ik het met je over hebben, Rijk.’
‘Wil jij ook iets? Deze eieren zijn heerlijk.’ Hij neemt nog een hap. Deze keer veeg ik de saus niet af.
Rijk wenkt een kelner - iemand in vaste dienst; de hotello’s van gisteravond zijn na het diner vertrokken. ‘Wil je dit ook voor Micky brengen?’ En tegen mij: ‘Echt, verrukkelijk.’
Ik vraag de kelner om een kop koffie en kijk Rijk aan. ’Skillian…’
‘Maak je geen zorgen. Ik heb Skillian gesproken. Hij was degene die je had ingehuurd. Dat had hij niet mogen doen. En dan moet hij ook niet klagen als Eva Luna er met de buit vandoor gaat…’
‘Het spijt me, Rijk, maar…’
‘Nergens voor nodig,’ onderbreekt hij me. ‘Ik ken mijn zoon, ik ken mijn vrouw. Genoeg daarover.’
Inderdaad, genoeg erover. Onder tafel pak ik Rijk bij zijn ballen en knijp erin. Hard.
Nu ik zijn aandacht heb, zeg ik onomwonden: ’Skillian heeft Eva Luna vermoord. Het moet op een ongeluk lijken, maar wel een die ik veroorzaakt heb. Ik laat me niet naaien, Rijk. Ook niet door jouw zoon.’
Rijk kijkt me geamuseerd aan. ‘Ik hoor je. Wil je nu mijn ballen loslaten?’
Ik laat zijn ballen los. De kelner brengt de eggs benedict en mijn koffie. Als hij weer vertrokken is, zegt Rijk: ‘Vertel.’
Ik vertel.
‘En nu ligt Eva Luna dood in jouw kamer?’ Hij lijkt er niet erg door aangedaan.
Ik knik.
‘Dan ziet het er niet echt goed voor je uit, nietwaar?’
Daar was ik al bang voor, maar toch verrast het me. Rijk is ondertussen begonnen aan mijn eieren.
‘Dat ligt eraan hoe je het bekijkt.’
Hij haalt zijn schouders op. ‘Maar ook wie het bekijkt, toch? Ik ben nog niet heel lang op, maar ik heb al het een en ander gehoord vanochtend. Iets over twee zoenende vrouwen in het maanlicht, en dan nog de twee lekkerste vrouwen aanwezig - dacht je dat dat onopgemerkt zou blijven, nadat je de hele boot op hebt lopen geilen?’
‘Skillian…’
‘Heeft het behoorlijk goed gespeeld, als ik jou moet geloven. En wanneer zou hij Eva Luna dan omgelegd moeten hebben?’
‘Direct nadat ze het diner verlaten had. Hij is haar achterna gelopen…’
‘En toen heeft ze vanuit het hiernamaals chef Tijno gevraagd om een dame blanche te maken, zeker?’
‘Precies - zodat niemand eraan zou twijfelen dat ze toen nog leefde. Maar als je rond gaat vragen - als de politie rond gaat vragen - zou het me verbazen als iemand haar na haar vertrek van het diner nog in levende lijve heeft gezien.’
‘De politie? Wie heeft het over politie?’
‘Er ligt een lijk aan boord. Ik neem aan dat de politie kennis wil nemen van de precieze toedracht.’
‘En ik neem aan dat de politie ook beseft dat een ongeluk in een klein hoekje zit.’
‘Zoals ik al zei, Rijk: ik laat me niet naaien.’
Rijk spreidt zijn geopende handen boven tafel en haalt zijn schouders op. ‘Je zit in het vak, Micky. Genaaid worden hoort erbij - maar maak je geen zorgen, we zullen goed voor je zorgen. Met een goede advocaat kom je hier prima vanaf.’
Ik schud mijn hoofd. ‘Ik zorg voor mezelf, Rijk. Dat zou je inmiddels moeten weten.’
Ik pak mijn telefoon, en speel mijn eerste troefkaart.
Ik zei het net al: een slimme meid is op haar toekomst voorbereid. Dacht je echt dat ik zomaar dit wespennest in zou lopen, zonder een paar voorbereidende maatregelen? Ik zit lang genoeg in het vak om neuken van naaien te kunnen onderscheiden, en boven deze kutklus stond in neonletters ‘naaien’ geschreven. Maar voor dit soort geld ben ik best bereid om wat risico te lopen - so what’s a girl to do?
Dat zal ik je vertellen. Deze girl gebruikt dan haar eerder verdiende centjes om een verzekering af te sluiten, en wel in de vorm van een goed gevulde bh - goed gevuld met twee kleine accuutjes, wel te verstaan, in elke cup één, heel mooi weggewerkt in het kussentje en het geeft nog wat extra lift ook, zoals Rita ook al was opgevallen. En die accu’s, die zitten daar niet zomaar, maar die voorzien de eveneens in de bh weggewerkte sd-kaart van energie. En die sd-kaart, die is weer nodig om de beelden op te slaan die gemaakt worden met, als klap op de geile vuurpijl, een nauwelijks te detecteren knoopcamera die decoratief in het kant tussen de beide borstenhouders is weggewerkt. Een mooi samenvloeien van push-up en high-tech, al zeg het ik zelf, waar alles up close and personal mee gefilmd kan worden. Of van wat meer afstand, als je, om maar wat te noemen, tijdens het grote neuk- en naaispel je bh achteloos over de leuning van een stoel laat hangen…
En zo komt het dat ik Rijk nu kan laten zien hoe Skillian, uitgedost als Eva Luna, mij op het gangboord in zijn armen sluit, ondanks jurk en pruik onmiskenbaar Skillian, zeker als we ons in het volgende shot naar het bed verplaatst hebben, waar hij zich gulzig laaft aan mijn buik en borsten. Vervolgens, maar daarvoor moet je het scherm draaien, want inmiddels hangt de camera over de eerder genoemde stoelleuning, zie je Skillian met zijn benen over mijn schouders en mama’s jurk om zijn heupen tot een ongeveinsd hoogtepunt komen, waarna ik knock-out ga en Skillian de kamer verlaat. Als hij terugkomt heeft hij voor de tweede maal deze nacht een transformatie ondergaan. Pruik en jurk zijn verruild voor een hazmat pak, inclusief handschoenen en capuchon. In zijn armen draagt hij zijn stiefmoeder. Dat het echt Eva Luna is, is eerst niet goed te zien door de plastic zak die om haar hoofd zit. Nadat hij haar naast mij in bed heeft gelegd en mijn handen tegen het plastic om haar hals heeft aangedrukt, trekt Skillian de zak van haar hoofd en propt deze tussen het matras en het hoofdeinde van het bed. Daarna wist hij zorgvuldig elk spoor van zichzelf uit. The end.
Als ik mijn telefoon weer opberg, kijkt Rijk me aan. ‘Ik moet bekennen, dit vervult me wel met enige vaderlijke trots. Heb je voor mij ook een kopie gemaakt?’
‘Geen zorgen; niet alleen voor jou.’
‘Het is ongelofelijk wat ze met AI kunnen, tegenwoordig, vind je niet? Ik kreeg laatst een filmpje doorgestuurd van katten, die schoonspringen. Echt heel mooi.’ Met zijn handen doet hij poezenpootjes na, trippelend over een duikplank. ‘En je zou zweren dat het echt is…’
‘Deze beelden zijn ook echt.’
‘Och, daar twijfel ik niet aan. Maar beelden betekenen niet zo veel meer, wil ik maar zeggen, in een tijd dat katten kunnen schoonspringen.’
‘En DNA?’
‘DNA?’
Goeie vraag, want dat is mijn tweede troefkaart - DNA. ‘Skillian is net 21 geworden, Rijk. Wat dacht je - dat er nog steeds alleen maar kinderpies uit zijn pielemuisje komt?’
‘Wat heb je gedaan?’ Hij is in ieder geval snel van begrip.
‘Och, een beetje hier, een beetje daar. Genoeg dat er geen enkele twijfel kan bestaan over wat zich precies in haar poesje heeft afgespeeld. En haar anus. En haar mond.’ Nu is het mijn beurt om poezenpootjes na te doen. ‘Sperma. Je zou zweren dat het echt is.’
Misschien herinner je je, dat ik Skillian na de eerste overweldigende neukpartij vroeg of hij in de rouw was over zijn doorgespoelde nageslacht. Dat, lieve lezer, was listig van mij - een leugentje om bestwil, zullen we maar zeggen - want ik had zijn nageslacht niet doorgespoeld. Zijn nageslacht had ik, oom Oswald-stijl, opgeborgen op een plek waar hij het niet zou vinden, zeker niet als hij geen reden had om ernaar te zoeken. Minder high-tech dan de filmstudio in mijn brassière, maar zeker niet minder vernuftig - namelijk in de hak van een van mijn seksloze pumps, die ik dus ook al een dubbelrol heb laten spelen in dit verhaal. Twee pumps, met twee holle hakken, waar een beginnend sekswerker wat extra geld in kan bewaren voor als ze onverwacht ergens strandt, of een pilletje voor een lastige klant. Of een condoom vol sperma, voor je weet maar nooit…
Welnu, je weet maar nooit was aangebroken, en het was maar goed dat ik die ouwe pumps had meegenomen, want zoals we eerder op de beelden uit mijn brassière hebben kunnen zien, had Skillian de hele kamer zorgvuldig van alle DNA-resten ontdaan. Bovendien had hij behalve de haren in de douche ook mijn vingerafdrukken op fles en glazen achtergelaten. Het zou me inderdaad vullen met vaderlijke trots, als ik niet het slachtoffer had moeten worden van de hele charade.
Rijk is ondertussen uitgegeten. Hij duwt zijn bord van zich af, veegt zijn kin met de muis van zijn hand af, en zegt: ‘Well played.’
‘En nu?’, vraag ik hem.
‘Nu,’ antwoord hij, terwijl hij de kelner wenkt, ‘zit er niets anders op dan dat je met me moet trouwen.’
Als hij de uitdrukking op mijn gezicht ziet, barst hij in lachen uit. ‘Grapje.’ Tegen de kelner zegt hij: ‘Wil je haar naar mijn privévertrekken begeleiden?’
Ik begin te protesteren, maar de kelner laat zijn jasje openvallen, wat mij zicht geeft op een schouderholster met inhoud. Blijkbaar ben ik niet de enige die zich heeft laten bijverzekeren.
Gelukkig komt precies op dat moment mijn derde troefkaart de zaal in dansen: de laatste polonaise van dit verhaal. Skillian gaat, hoe kan het ook anders, aan het hoofd. Als hij me ziet, kijkt hij alsof ik uit de dood ben herrezen, en dat is natuurlijk ook zo, maar niet uit mijn eigen dood, maar die van Eva Luna, die hij als een dubbel verjaardagscadeau aan zichzelf, in mijn schoot had willen werpen. Voortgestuwd door Joost, CG, de nestor en al die andere jongens - want jongens zijn het, en misschien zelfs aardige jongens - kan hij niet anders dan meedansen. En Rijk en de kelner-met-blaffer kunnen niet anders dan toekijken hoe ik word meegevoerd in deze laatste wilde dans, kriskras over de Skillian-21 als de handen van een onverzadigbare minnaar, de diner-zaal uit, de gangpaden door, trap op, trap af, van achtersteven tot voordek en weer terug, tot het moment dat de rondvaartboot aanmeert, met dezelfde mistroostige kapitein als gisteravond, om het zootje ongeregeld weer terug te brengen naar Leiden.
Vanaf het achterdek van de rondvaartboot kunnen we nog net zien hoe een helikopter op het heli-platform van de Skillian-21 land. Zo te zien is Rijk met de clean-up begonnen. Dan worden zowel heli als schip door een eiland in de Norremeer aan ons zicht onttrokken. Achter me hoor ik de stem van de nestor:
‘Zo Parmentier, dat viel weer mee - geen lijken.’